Homme libre, toujours tu chériras la mer !Het is een oktoberochtend in Boulogne-sur-Mer. Een wilde wind dringt binnen langs de revers van mijn jas en kleurt mijn wangen en kin met rode blossen. Grijze rotsblokken weergalmen het zachte klotsen van de kleine golfjes die de beschutte havengeul binnendringen. Op de uitgestrekte pier rusten tientallen aalscholvers (Phalacrocorax carbo), ze strekken hun vleugels gelaten na hun vistochten en laten de veren wapperen in de strakke wind. Mijn telescoop bibbert een beetje op zijn statief. Het sobere grijs van de lucht versmelt met de zee. En hoewel ik dol ben op zee en wind en de combinatie van beiden, is dat toch niet de reden waarom ik mij nu hier op dit verlaten stukje havendijk bevind. De ware reden zwemt een beetje verder, eerst een zwart-witte stip achter de vislijn van een zondagse visser. Het is een zwarte zeekoet (Cepphus grylle) ! Als liefhebber van de alken, Alcidae, kon ik deze buitenkans om een exemplaar van deze eerder arctische soort te bestuderen niet laten liggen. Eerst zwemt het interessante beestje nog wat te ver maar ik heb geduld. Ondertussen observeer ik iets anders dat net zo interessant is en dat ik nog niet eerder zo mooi waargenomen had: de rollende klapwiekende glijpas van een fuut (Podiceps cristatus). Futen zijn namelijk vogels die niet vaak vliegend aan te treffen zijn, ze prefereren het om zich te verplaatsen in of op het water en deze snelle glijpas is een van de mogelijkheden. De cirkels water die hun vleugels daarbij opwerpen zijn prachtig om te zien. Intussen vliegen groepjes spreeuwen (Sturnus vulgaris) af en aan en duikt er tussen de stenen ineens een oeverpieper (Anthus petrosus) op. Door zijn donkerder uiterlijk en vagere streping te onderscheiden van een graspieper (A. pratensis) is dit een zangvogel die rotskusten prefereert en in onze contreien eerder in havens aan te treffen valt. Tenslotte gebeurt er wat op het water, "Zwartje", zoals ik de zwarte zeekoet ben beginnen noemen, zwemt dichterbij ! Bij het duiken toont hij zijn prachtige rode poten. En dan verschijnt Zwartje, met een onfortuinlijke krab in zijn snavel, terug op zo'n tien meter van mij af. Nu kan ik goed zien dat het een eerstejaars individu is: de witte vleugelvlekken zijn met bruine vlekjes getint, bij adulte vogels zijn deze vlekken spierwit. Het is dan ook in de lijn der verwachting, adulte vogels overwinteren tegen het pakijs maar jonge vogels durven al eens uit te zwermen en via stormen voor onze kusten te belanden. Bijna een vol half uur geniet ik van deze waarneming en ik voel mijn hart verliefd worden, weer eens, op deze sobere zeevogels. Maar de tijd tikt voort en hoewel ik nu een week aan de Opaalkust verblijf, ben ik een beetje rusteloos om zoveel mogelijk van deze prachtige streek te verkennen. Mijn voorproefjes van eerder dit jaar in maart en augustus smaakten naar meer. In Tardinghen, op het strand, werpt de branding zich luidruchtig op het kiezelstrand als de woelige zee zingt. Diverse zeevogels, zoals dit groepje zwarte zee-eenden (Melanitta nigra) in de verte in de typische zwarte vlucht, vliegen met de wind mee. In de nabije duinen danst het helmgras. De kleinste trippelaars van onze kusten, de drieteenstrandlopers (Calidris alba), rusten even uit. Deze op de foto zijn vogels die dit jaar geboren zijn, ze hebben meer contrastrijke vleugels. Je zou het hen niet nageven met hun formaat dat diminutief zou omschreven moeten worden maar dit is een soort die tot de top behoort van de langeafstandstrekkers ! Deze vogels broeden in het Arctisch gebied en trekken in de winter zuidwaarts langs de Amerikaanse en Europese kusten, soms tot de westkust van Afrika (Namibië) toe. "Onze" exemplaren vliegen langs de Oost-Atlantische trekroute rechtstreeks of over IJsland naar ons toe. De afstanden tussen de 3000 en de 10 000 kilometer die ze hierbij afleggen, twee keer per jaar, zijn ongelofelijk. Ze zijn een brok van energie en dat blijkt ook als men ze snel trippelend langs de golven ziet foerageren. Er loopt inmiddels een kleurringproject om hun trekroutes in kaart te brengen, ik ben benieuwd welke details daaruit zullen voortvloeien. Maar hoe somber de lucht ook is, zo af en toe roept het land haar rechten op en laaft ze zich aan een late zon. Het was eind oktober en de temperaturen klommen soms verrassend hoog, tot 21°C. Een echte nazomer en ik bevond mij op de ideale plaats om ervan te genieten. Het water kleurde azuurblauw en de witte krijtrotsen van Dover aan de overzijde van het Kanaal schitterden des te feller. Zoals gewoonlijk ben ik niet alleen om ervan te genieten, mijn trouwe compagnon Darko is er ook weer bij met zijn onafscheidelijk tennisballetje. Hier op het strand voorbij Cap Blanc Nez, tussen Escalles en Wissant, valt des te meer op hoe natuurlijk deze kustlijn nog is gebleven dankzij de overwelmende aanwezigheid van die krijtrotsen. De afgebrokkelde stenen die op natuurlijke wijze aangevuld werden met fijn en kalkrijk erosiemateriaal leveren schrale kalkgraslanden op die mij doen denken aan de Viroin. Verderop, bijna tegen Wissant aan, vindt men ineens riet op het strand dankzij de enkele zoetwaterbronnen die daar uitmonden op het strand. Het is heel speciaal om een zanglijster (Turdus philomelos) te zien zingen in het riet als je intussen de zee hoort bulderen. Het is ook, onder meer dankzij het uitsteken van de kapen in zee dat deze kliffen ideaal zijn om trekvogels te spotten. Op deze warme voormiddag zou ik enkele honderden vinken (Fringilla coelebs) tellen die ijverig klapwiekten op weg naar het warmere zuiden. Ze vliegen net boven of net naast de kliffen en op de trap vliegen ze bijna tegen mij aan ... Een paar traptreden later kijkt men neer op de vinken die steeds blijven komen. Als ik dan omkijk, waant ik me dan ineens in een Welsh landschap als het pad zich over de kliffen naar de einder slingert en de koeien vreedzaam grazen. Het is bijna idyllisch en ik prijs mezelf gelukkig dat mijn ouders ook eens zin hadden om een andere kust te verkennen in de jaarlijkse herfstvakantie. We huurden een gerenoveerd boerderijtje vlakbij Cap Blanc Nez waarvan de heuvel boven onze tuin uittorende. Cap Blanc Nez steeds boven ons zien uittorenen betekende ook een constante lokroep waar ik al te graag aan toegaf. Na een lange klim met vele "switchbacks" arriveerde ik op de top in het steeds minderende avondlicht, Darko naast mij. Onder mij lag de havenstad Calais, door een dergelijke afstand overheerste de rust terwijl de overzetboten het ritme bepaalden. Het contrast met Escalles aan de andere kant van de heuvel is groot, Escalles lijkt haast Engels met zijn witte huizen bijeengezet in het groene en glooiende landschap. Maar het is niet al bekoring dat de klok slaat: de volle parking beneden bewijst het. Het contrast tussen de menselijke recreatiedruk en de natuurlijke omgeving is heel groot. Duidelijke richtlijnen en afgelijnde paden zorgen voor het in goede banen leiden van deze tegenstrijdige belangen. Gelukkig valt deze recreatiedruk goed mee, zeker vergeleken met onze eivolle Belgische kust, en terwijl de zon weer een avond kleurt met haar laatste stralen kijk ik mijn ogen uit. De verwondering blijft. Zelfs als er dagen tussen zitten waarbij de regen drumt en slaat, blijf ik hier als een kind zo gelukkig in deze wild aandoende omgeving. Natuurlijk blijft het fijner om bij droog weer erop uit te trekken, ook al omdat je dan ook meer kan observeren. Tijdens ons verblijf ga ik geregeld naar Cap Gris Nez, tien kilometer verder, dat door zijn positie meer richting het begin van het Kanaal en zijn geografische ligging -het punt van het vasteland het dichtste bij Engeland gelegen- nog beter gelegen is om zee- en trekvogels te spotten. Hier worden de kalkgraslanden opengehouden door een lokaal schapenras: de Boulonnaise die de hele dag genieten van een geweldig uitzicht op Cap Blanc Nez aan de andere kant van de baai. De Boulonnaise is een ras dat afkomstig is van deze streek, Pas-du-Calais, en werd in het verleden geselecteerd uit lokale schapen en Vlaamse schapenrassen waarin later in de 18e en 19e eeuw ook Engelse rassen ingekruist werden om de wolproductie te verbeteren. Op deze schrale gronden moest men namelijk vooral rekenen op schapen om er toch iets van inkomsten uit te kunnen halen, hetzelfde fenomeen als in onze duin- en heidegebieden of in de Viroin. Maar door de moderne landbouw met haar meststoffen en machines verdween de lokale schapenhouderij tot het ras zelf bijna uitstierf in de jaren '80. Maar in 1983 richtte men het Centre régional de ressources génétiques du Nord-Pas-de-Calais op met als doel om lokale rassen veilig te stellen. Toen bleken er nog kwekers zich bezig te houden met de Boulonnaise en schakelde men deze schapen later in voor het natuurbeheer van het parc régional. De schapen worden ondersteund door werkmannen die met bosmaaiers de rest maaien om deze gronden ook schraal te houden. Door te maaien en dit maaisel af te voeren bekomt men een soort status quo met de inspoeling van stikstof, een belangrijke meststof, meestal afkomstig uit regen. Ietwat verder, waar er een inkeping in de rotsen is en waar ik een weids uitzicht heb op de Noordzee, zet ik mij neer in de graspollen en ik kijk, kijk, kijk ... Dit stukje klif werd mijn petit coin du paradis. Niet alleen zeevogels zoals roodkeelduikers (Gavia stellata), jan-van-genten (Morrus bassanus) of zeekoeten (Uria aalge) maar ook grijze zeehonden (Halichoerus grypus) stelen de show. Op een gegeven moment zou ik er zo'n 11 bijeen tellen. De vele wandelaars, veelal met jonge kinderen, zijn vaak oprecht geïnteresseerd en vragen mij vaak om uitleg. Het is vaak een goede gelegenheid om mijn Frans te oefenen. De rijkdom van de zee hier is het resultaat van het samenvloeien van Kanaalwater en Noordzeewater in combinatie met een sterke influx van zoet water van de estuaria die zuidelijker gelegen zijn. Het zorgt voor een hoge diversiteit aan habitats en een hoge soortenrijkdom van vissen en ander marien leven en dat trekt uiteindelijk de zeevogels en de zeehonden aan. Als ik dan na een paar uren terug een beetje rusteloos word en met de wagen terug naar beneden rij naar de voet van de kaap, stoot ik op deze rustieke John Deere tractor. Een prachtig decorstuk in dit landelijke gebied, ik voel me er steeds meer en meer thuis. Het contrast van de grijze rotsen van Cap Gris Nez met de witte krijtrotsen enkele kilometers verder is groot. Deze zijn rotsen van een vroegere geologische oorsprong, uit het Jura-tijdperk terwijl de witte rotsen van Blanc Nez jonger zijn: ze stammen uit het Krijt. In Tardinghen waakt het kerkje over de weilanden en rusten late strobalen op de velden. Een typisch najaarsbeeld is ook hier te vinden: spreeuwen die zich verzamelen en in grote groepen de weilanden afschuimen. Dichterbij ons huurhuisje in Escalles zijn deze Rotganzen (Branta bernicla) ofwel "bernache cravant" stilaan een vertrouwd zicht. Ze arriveerden twee dagen na mij en bleven de rest van de week op hetzelfde weiland rondstruinen. En bij het thuiskomen wacht er steeds een vrolijke kwispelende staart en de rest van de hond op mij. Bij 21°C is spelen in de tuin onontbeerlijk. Tenslotte vliegen de meeuwen de laatste sluiers van onze laatste dag hier in... Een laatste roze vuurbol zakt in de zee ... En terwijl de maan zachtjes het landschap licht en de vuurtoren van Cap Gris Nez zijn lichtbundel in het rond werpt ... ... kijk ik nog een laatste keer naar die donkere gestalte aan de horizon rechts van mij, de sterren en het oranje licht van een radiobaken werken samen met de maan voor de belichting van mijn foto. Mijn hele familie, ouders, zus en Darko, staan achter mij in stilte. Zij wilden ook mee op een laatste wandeling van onze vakantie en laten mij rustig mijn foto's nemen. Ze begrijpen mijn vervoering want ook zij zijn er niet geheel ongevoelig voor. Dat is het effect van de Opaalkust. Een hele stroom aan indrukken en vervoeringen die het brein kortsluiten. Het is de eeuwige lokroep van de zee, de reflectie van de mens, dat erin meespeelt. Daar was Charles Baudelaire van overtuigd en ik ook, het brengt mij tot de conclusie dat ik niet anders kan dan terugkeren naar dit prachtige stukje Frankrijk.
La mer est ton miroir ; tu contemples ton âme
Dans le déroulement infini de sa lame,
Et ton esprit n’est pas un gouffre moins amer.
Tu te plais à plonger au sein de ton image ;
Tu l’embrasses des yeux et des bras, et ton coeur
Se distrait quelquefois de sa propre rumeur
Au bruit de cette plainte indomptable et sauvage.Charles Baudelaire
Posts tonen met het label Frankrijk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Frankrijk. Alle posts tonen
dinsdag 30 december 2014
Pracht en praal van de Opaalkust
Labels:
Cap Blanc Nez,
Cap Gris Nez,
Darko,
France,
Frankrijk,
Grijze zeehond,
herfst,
landschap,
natuur,
Noordzee,
On the road,
Opaalkust,
vakantie,
vogelaar,
vogels,
vogels kijken,
zee,
zeehond,
zeekoet,
zeevogels
woensdag 1 oktober 2014
Waaien op de kliffen
"La mer est tout! Elle couvre les sept dixièmes du globe terrestre. Son souffle est pur et sain. C'est l'immense désert où l'homme n'est jamais seul, car il sent frémir la vie à ses côtés. La mer n'est que le véhicule d'une surnaturelle et prodigieuse existence; elle n'est que mouvement et amour."Mijn autodeur klikt open en de eerste felle windvlaag speelt al met mijn hemd. De parking is bezet met auto's van mensen die net als wij de frisse zeewind opzoeken. Een idee voor een uitstapje naar de Belgische kust werd onderweg in de auto plots een "waarom niet?" verhaal van slechts een vijftigtal snelwegkilometers verder: de Opaalkust. Het idee werd enthousiast onthaald en daar staan we dan op de parking van Cap Blanc Nez, ik slechts gewapend met mijn kleine Canon fototoestel en verrekijker. Het werd een heerlijke natuuruitstap zonder veel gewicht op mijn rug: back to basics. Daar strekt zich in meerdere tinten blauw de engte uit van het Kanaal. Op deze lichte augustusdag zijn de beroemde witte kliffen duidelijk zichtbaar aan de horizon: een witte streep tekent zich af tegen de trillingen van de opwarmende lucht. Het mooie van dit zomers bezoek, tegenover mijn vorige keer in de vroege lente, is dat het in de kalkrijke gronden nu krioelt en broeit van leven. Zo tref ik er dit zeldzame plantje aan: een gentiaan, wellicht Duitse gentiaan (Gentianella germanica) die zoals de meeste gentianen pas vanaf de late zomer bloeit. Temidden van de steeds fladderende vlinders en het stille gebulder van de wind is er toch een vreemde kalmte. Ik ben niet de enige die dat opmerkt... Deze kaap heeft iets dat je zelden vindt. Een belofte van oudere tijden misschien ? Als er weer een ferry de nauwe en bij wijlen verraderlijke zeestraat overvaart, is het niet moeilijk om oude stoomraderschepen of zeilschepen voor te stellen. Dat is de magie van La Manche. Al snel dalen we af naar de voet van de kliffen waar de toren van de kaap het zicht beheerst achter Siel en Sarah en waar een uitgestrekt strand en tientallen jonge drieteenmeeuwen (Rissa tridactyla) ons opwachten. In maart zagen we de nestvoorbereidingen, nu zijn de jongen al bijna allemaal volgroeid door de voortdurende zorg van beide ouders die steeds hun vleugels uitstrekten naar de zee in hun voortdurende plicht om voedsel te vinden voor hun kroost. We bleven enkele uren slenteren op het strand, een attitude waarbij een onverwacht zakje friet en ook een impromptu plons in het water bijhoorde; want zwemmen in de Noordzee, dat had ik al veel te lang niet meer gedaan. De tijd vertraagde als ik de mensen onbekommerd zag genieten van de natuur en zag zoeken naar leuke vondsten tussen de stenen en de getijdenpoelen. Want Cap Blanc Nez staat nog altijd om één ding voornamelijk bekend: de vele fossielen die men in en tussen de keien kan vinden. Wij hebben op die warme augustusmiddag ook succes als we ons enkele tientallen minuten wijden aan het minutieus doorzoeken van de keitjes zoals Sarah demonstreert. In sommige blokken van kleiachtig krijt kan men ook hele fossielen vinden. De voortdurende verwering van de krijtrotsen zorgt steeds voor nieuwe vondsten en de rotsen zelf zorgen voor gezuiverd regenwater dat insijpelt en uiteindelijk terug vrijgegeven wordt aan het land. Een zelfde dynamiek maar met een heel ander uitzicht ontdekt men enkele kilometers verder bij het eveneens toepasselijk benoemde Cap Gris Nez waar de grijze rotsen de zee trotseren. De naam komt van het oud-Nederlands "Swartenesse" waarbij "nes" een landtong betekent. Hier sta je het dichtste bij Engeland vanop het vasteland. De geschiedenis van dit strategisch punt is sterk gelinkt met verdedigingslinies, gaande van Napoleon Bonaparte tot de Atlantikwall van de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog. Nu is dit een radarpost van de Franse defensie waar talrijke vlinders profiteren van de relatieve storingsvrije gronden. Ze worden vol ijver gevolgd door Siel's fototoestel want ook zij heeft nu een vlindergids en wil dringend bijleren in haar determinaties. Vijftig meter boven de zee heerst hier de eeuwige zeewind die de bomen vormt en beknot. Het doet denken aan Texel, één van de Waddeneilanden, waar men hetzelfde fenomeen kan aantreffen. Maar als men dan de schapen ziet grazen waant men zich in Wales. Het is een plek met meerdere gezichten, vol variatie. Hoewel de tijd vertraagt, nu ik zo licht bepakt ben en we rustig van plaatsje naar plaatsje kunnen kuieren, toch gaat ze eens voorbij en is het weer tijd om een laatste blik op de inmiddels bekende toren te werpen. Dit gebied is getekend door haar band met de zee. De zee is hier alles. Ongebonden en vrij. Zo voelt het ook ... en zo hoort het te blijven.
Jules Verne - Vingt mille lieues sous les mers
Abonneren op:
Posts (Atom)