"Et j'irai loin, bien loin, comme un bohémien, Par la Nature, - heureux comme avec une femme."
Arthur Rimbaud
Posts tonen met het label landschap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label landschap. Alle posts tonen

dinsdag 30 december 2014

Pracht en praal van de Opaalkust

Homme libre, toujours tu chériras la mer !
La mer est ton miroir ; tu contemples ton âme
Dans le déroulement infini de sa lame,
Et ton esprit n’est pas un gouffre moins amer.
Tu te plais à plonger au sein de ton image ;
Tu l’embrasses des yeux et des bras, et ton coeur
Se distrait quelquefois de sa propre rumeur
Au bruit de cette plainte indomptable et sauvage.

Charles Baudelaire
Het is een oktoberochtend in Boulogne-sur-Mer. Een wilde wind dringt binnen langs de revers van mijn jas en kleurt mijn wangen en kin met rode blossen. Grijze rotsblokken weergalmen het zachte klotsen van de kleine golfjes die de beschutte havengeul binnendringen. Op de uitgestrekte pier rusten tientallen aalscholvers (Phalacrocorax carbo), ze strekken hun vleugels gelaten na hun vistochten en laten de veren wapperen in de strakke wind. Mijn telescoop bibbert een beetje op zijn statief. Het sobere grijs van de lucht versmelt met de zee.
En hoewel ik dol ben op zee en wind en de combinatie van beiden, is dat toch niet de reden waarom ik mij nu hier op dit verlaten stukje havendijk bevind. De ware reden zwemt een beetje verder, eerst een zwart-witte stip achter de vislijn van een zondagse visser. Het is een zwarte zeekoet (Cepphus grylle) ! Als liefhebber van de alken, Alcidae, kon ik deze buitenkans om een exemplaar van deze eerder arctische soort te bestuderen niet laten liggen. Eerst zwemt het interessante beestje nog wat te ver maar ik heb geduld.
Ondertussen observeer ik iets anders dat net zo interessant is en dat ik nog niet eerder zo mooi waargenomen had: de rollende klapwiekende glijpas van een fuut (Podiceps cristatus). Futen zijn namelijk vogels die niet vaak vliegend aan te treffen zijn, ze prefereren het om zich te verplaatsen in of op het water en deze snelle glijpas is een van de mogelijkheden. De cirkels water die hun vleugels daarbij opwerpen zijn prachtig om te zien.
Intussen vliegen groepjes spreeuwen (Sturnus vulgaris) af en aan en duikt er tussen de stenen ineens een oeverpieper (Anthus petrosus) op. Door zijn donkerder uiterlijk en vagere streping te onderscheiden van een graspieper (A. pratensis) is dit een zangvogel die rotskusten prefereert en in onze contreien eerder in havens aan te treffen valt.
Tenslotte gebeurt er wat op het water, "Zwartje", zoals ik de zwarte zeekoet ben beginnen noemen, zwemt dichterbij ! Bij het duiken toont hij zijn prachtige rode poten.
En dan verschijnt Zwartje, met een onfortuinlijke krab in zijn snavel, terug op zo'n tien meter van mij af. Nu kan ik goed zien dat het een eerstejaars individu is: de witte vleugelvlekken zijn met bruine vlekjes getint, bij adulte vogels zijn deze vlekken spierwit. Het is dan ook in de lijn der verwachting, adulte vogels overwinteren tegen het pakijs maar jonge vogels durven al eens uit te zwermen en via stormen voor onze kusten te belanden.
Bijna een vol half uur geniet ik van deze waarneming en ik voel mijn hart verliefd worden, weer eens, op deze sobere zeevogels. Maar de tijd tikt voort en hoewel ik nu een week aan de Opaalkust verblijf, ben ik een beetje rusteloos om zoveel mogelijk van deze prachtige streek te verkennen. Mijn voorproefjes van eerder dit jaar in maart en augustus smaakten naar meer.
In Tardinghen, op het strand, werpt de branding zich luidruchtig op het kiezelstrand als de woelige zee zingt. Diverse zeevogels, zoals dit groepje zwarte zee-eenden (Melanitta nigra) in de verte in de typische zwarte vlucht, vliegen met de wind mee. In de nabije duinen danst het helmgras.
De kleinste trippelaars van onze kusten, de drieteenstrandlopers (Calidris alba), rusten even uit. Deze op de foto zijn vogels die dit jaar geboren zijn, ze hebben meer contrastrijke vleugels. Je zou het hen niet nageven met hun formaat dat diminutief zou omschreven moeten worden maar dit is een soort die tot de top behoort van de langeafstandstrekkers ! Deze vogels broeden in het Arctisch gebied en trekken in de winter zuidwaarts langs de Amerikaanse en Europese kusten, soms tot de westkust van Afrika (Namibië) toe. "Onze" exemplaren vliegen langs de Oost-Atlantische trekroute rechtstreeks of over IJsland naar ons toe. De afstanden tussen de 3000 en de 10 000 kilometer die ze hierbij afleggen, twee keer per jaar, zijn ongelofelijk. Ze zijn een brok van energie en dat blijkt ook als men ze snel trippelend langs de golven ziet foerageren. Er loopt inmiddels een kleurringproject om hun trekroutes in kaart te brengen, ik ben benieuwd welke details daaruit zullen voortvloeien.
Maar hoe somber de lucht ook is, zo af en toe roept het land haar rechten op en laaft ze zich aan een late zon. Het was eind oktober en de temperaturen klommen soms verrassend hoog, tot 21°C. Een echte nazomer en ik bevond mij op de ideale plaats om ervan te genieten. Het water kleurde azuurblauw en de witte krijtrotsen van Dover aan de overzijde van het Kanaal schitterden des te feller.
Zoals gewoonlijk ben ik niet alleen om ervan te genieten, mijn trouwe compagnon Darko is er ook weer bij met zijn onafscheidelijk tennisballetje.
Hier op het strand voorbij Cap Blanc Nez, tussen Escalles en Wissant, valt des te meer op hoe natuurlijk deze kustlijn nog is gebleven dankzij de overwelmende aanwezigheid van die krijtrotsen. De afgebrokkelde stenen die op natuurlijke wijze aangevuld werden met fijn en kalkrijk erosiemateriaal leveren schrale kalkgraslanden op die mij doen denken aan de Viroin. Verderop, bijna tegen Wissant aan, vindt men ineens riet op het strand dankzij de enkele zoetwaterbronnen die daar uitmonden op het strand. Het is heel speciaal om een zanglijster (Turdus philomelos) te zien zingen in het riet als je intussen de zee hoort bulderen. Het is ook, onder meer dankzij het uitsteken van de kapen in zee dat deze kliffen ideaal zijn om trekvogels te spotten. Op deze warme voormiddag zou ik enkele honderden vinken (Fringilla coelebs) tellen die ijverig klapwiekten op weg naar het warmere zuiden. Ze vliegen net boven of net naast de kliffen en op de trap vliegen ze bijna tegen mij aan ...
Een paar traptreden later kijkt men neer op de vinken die steeds blijven komen. Als ik dan omkijk, waant ik me dan ineens in een Welsh landschap als het pad zich over de kliffen naar de einder slingert en de koeien vreedzaam grazen.
Het is bijna idyllisch en ik prijs mezelf gelukkig dat mijn ouders ook eens zin hadden om een andere kust te verkennen in de jaarlijkse herfstvakantie. We huurden een gerenoveerd boerderijtje vlakbij Cap Blanc Nez waarvan de heuvel boven onze tuin uittorende.
Cap Blanc Nez steeds boven ons zien uittorenen betekende ook een constante lokroep waar ik al te graag aan toegaf. Na een lange klim met vele "switchbacks" arriveerde ik op de top in het steeds minderende avondlicht, Darko naast mij. Onder mij lag de havenstad Calais, door een dergelijke afstand overheerste de rust terwijl de overzetboten het ritme bepaalden.
Het contrast met Escalles aan de andere kant van de heuvel is groot, Escalles lijkt haast Engels met zijn witte huizen bijeengezet in het groene en glooiende landschap.
Maar het is niet al bekoring dat de klok slaat: de volle parking beneden bewijst het. Het contrast tussen de menselijke recreatiedruk en de natuurlijke omgeving is heel groot. Duidelijke richtlijnen en afgelijnde paden zorgen voor het in goede banen leiden van deze tegenstrijdige belangen.
Gelukkig valt deze recreatiedruk goed mee, zeker vergeleken met onze eivolle Belgische kust, en terwijl de zon weer een avond kleurt met haar laatste stralen kijk ik mijn ogen uit. De verwondering blijft.
Zelfs als er dagen tussen zitten waarbij de regen drumt en slaat, blijf ik hier als een kind zo gelukkig in deze wild aandoende omgeving.
Natuurlijk blijft het fijner om bij droog weer erop uit te trekken, ook al omdat je dan ook meer kan observeren. Tijdens ons verblijf ga ik geregeld naar Cap Gris Nez, tien kilometer verder, dat door zijn positie meer richting het begin van het Kanaal en zijn geografische ligging -het punt van het vasteland het dichtste bij Engeland gelegen- nog beter gelegen is om zee- en trekvogels te spotten. Hier worden de kalkgraslanden opengehouden door een lokaal schapenras: de Boulonnaise die de hele dag genieten van een geweldig uitzicht op Cap Blanc Nez aan de andere kant van de baai.
De Boulonnaise is een ras dat afkomstig is van deze streek, Pas-du-Calais, en werd in het verleden geselecteerd uit lokale schapen en Vlaamse schapenrassen waarin later in de 18e en 19e eeuw ook Engelse rassen ingekruist werden om de wolproductie te verbeteren. Op deze schrale gronden moest men namelijk vooral rekenen op schapen om er toch iets van inkomsten uit te kunnen halen, hetzelfde fenomeen als in onze duin- en heidegebieden of in de Viroin. Maar door de moderne landbouw met haar meststoffen en machines verdween de lokale schapenhouderij tot het ras zelf bijna uitstierf in de jaren '80. Maar in 1983 richtte men het Centre régional de ressources génétiques du Nord-Pas-de-Calais op met als doel om lokale rassen veilig te stellen. Toen bleken er nog kwekers zich bezig te houden met de Boulonnaise en schakelde men deze schapen later in voor het natuurbeheer van het parc régional.
De schapen worden ondersteund door werkmannen die met bosmaaiers de rest maaien om deze gronden ook schraal te houden. Door te maaien en dit maaisel af te voeren bekomt men een soort status quo met de inspoeling van stikstof, een belangrijke meststof, meestal afkomstig uit regen.
Ietwat verder, waar er een inkeping in de rotsen is en waar ik een weids uitzicht heb op de Noordzee, zet ik mij neer in de graspollen en ik kijk, kijk, kijk ... Dit stukje klif werd mijn petit coin du paradis.
Niet alleen zeevogels zoals roodkeelduikers (Gavia stellata), jan-van-genten (Morrus bassanus) of zeekoeten (Uria aalge) maar ook grijze zeehonden (Halichoerus grypus) stelen de show. Op een gegeven moment zou ik er zo'n 11 bijeen tellen. De vele wandelaars, veelal met jonge kinderen, zijn vaak oprecht geïnteresseerd en vragen mij vaak om uitleg. Het is vaak een goede gelegenheid om mijn Frans te oefenen. De rijkdom van de zee hier is het resultaat van het samenvloeien van Kanaalwater en Noordzeewater in combinatie met een sterke influx van zoet water van de estuaria die zuidelijker gelegen zijn. Het zorgt voor een hoge diversiteit aan habitats en een hoge soortenrijkdom van vissen en ander marien leven en dat trekt uiteindelijk de zeevogels en de zeehonden aan.
Als ik dan na een paar uren terug een beetje rusteloos word en met de wagen terug naar beneden rij naar de voet van de kaap, stoot ik op deze rustieke John Deere tractor. Een prachtig decorstuk in dit landelijke gebied, ik voel me er steeds meer en meer thuis.
Het contrast van de grijze rotsen van Cap Gris Nez met de witte krijtrotsen enkele kilometers verder is groot. Deze zijn rotsen van een vroegere geologische oorsprong, uit het Jura-tijdperk terwijl de witte rotsen van Blanc Nez jonger zijn: ze stammen uit het Krijt.
In Tardinghen waakt het kerkje over de weilanden en rusten late strobalen op de velden.
Een typisch najaarsbeeld is ook hier te vinden: spreeuwen die zich verzamelen en in grote groepen de weilanden afschuimen.
Dichterbij ons huurhuisje in Escalles zijn deze Rotganzen (Branta bernicla) ofwel "bernache cravant" stilaan een vertrouwd zicht. Ze arriveerden twee dagen na mij en bleven de rest van de week op hetzelfde weiland rondstruinen.
En bij het thuiskomen wacht er steeds een vrolijke kwispelende staart en de rest van de hond op mij. Bij 21°C is spelen in de tuin onontbeerlijk.
Tenslotte vliegen de meeuwen de laatste sluiers van onze laatste dag hier in...
Een laatste roze vuurbol zakt in de zee ...
En terwijl de maan zachtjes het landschap licht en de vuurtoren van Cap Gris Nez zijn lichtbundel in het rond werpt ...
... kijk ik nog een laatste keer naar die donkere gestalte aan de horizon rechts van mij, de sterren en het oranje licht van een radiobaken werken samen met de maan voor de belichting van mijn foto. Mijn hele familie, ouders, zus en Darko, staan achter mij in stilte. Zij wilden ook mee op een laatste wandeling van onze vakantie en laten mij rustig mijn foto's nemen. Ze begrijpen mijn vervoering want ook zij zijn er niet geheel ongevoelig voor. Dat is het effect van de Opaalkust. Een hele stroom aan indrukken en vervoeringen die het brein kortsluiten. Het is de eeuwige lokroep van de zee, de reflectie van de mens, dat erin meespeelt. Daar was Charles Baudelaire van overtuigd en ik ook, het brengt mij tot de conclusie dat ik niet anders kan dan terugkeren naar dit prachtige stukje Frankrijk.

vrijdag 4 juli 2014

Terug in de Brenne II

I don't know how to save the world. I don't have the answers of The Answer. I hold no secret knowledge as to how to fix the mistakes of generations past and present. I only know that without compassion and respect for all of Earth's inhabitants, none of us will survive - nor will we deserve to.

Leonard Peltier
Wijds ruimt mijn blik onder de eindelijk warme middagzon. Het gras wuift in een zachte bries samen met de vele orchideeën. Het wit van de meidoornbloesems contrasteert in het overwegende groen van de uitstrekte graslanden voor mijn ogen. Het is een intiem vieren van de lente na de vele regenbuien van de voorbije dagen.
Jan en ik zouden meerdere keren Les Communaux aandoen, een natuurreservaat dichtbij Rosnay, waar vele andere planten profiteren van de rust van menselijke bemoeienissen zoals de forsgebouwde witte affodil (Asphodelus albus).
We zijn in de Brenne, dat groene hart van Frankrijk, en het hoeft niet te verbazen dat men hier zomaar een overvliegende visarend (Pandion haliaetus) kan treffen met een vette karper stevig in zijn klauwen geklemd, op weg naar een plekje om van zijn maaltje te genieten.
Men stelt het beheer voornamelijk in op de zeer zeldzame moerasparelmoervlinder (Euphydryas aurinia) die als waardplant knoopkruid (Centaurea jacea) nodig heeft. Het werkt, de populatie hier neemt langzaam terug in aantal toe.
Een rups van de sint-jansvlinder (Zygaena filipendulae) valt op in het lentefrisse groen van dit grasland. Het is een soort dat matig vochtig en onbemest kruidig grasland nodig heeft waarin zijn waardplanten zoals rolklaver (Lotus corniculatus) en andere vlinderbloemigen groeien en bloeien.
Het mooie aan dit gebied is de grote populatie tongorchissen (Serapias lingua), een meditterane soort die hier zo'n beetje zijn noordgrens bereikt. In de holte die gevormd wordt in de bloem is de temperatuur steeds iets hoger dan er buiten en vooral bijen en wespen maken hier vaak gebruik van om te schuilen en warm te blijven, als ze dan de bloem verlaten nemen ze ook de pollinia mee die aan hun lijf blijven plakken zodat ze een volgende bloem kunnen bestuiven.
Bij het ontluiken van een tongorchis is de gedachte aan vruchtbaarheid zeer hoog door de wulpse kleuren en vormen. De Latijnse genusnaam Serapias is dan ook afgeleid van de Egyptische vruchtbaarheidsgod Serapis, voornamelijk doordat men vroeger dacht dat de wortelknollen van dit orchideeëngeslacht een potentieverhogende werking hadden.
Mijn oog blijft op de vegetatie vallen en wat er zich tussen beweegt zoals deze nimf van een voor mij onbekende sprinkhaan.
Harlekijnorchissen (Anacamptis morio) dansen met de hoge, donkere biezen mee op de steeds vochtiger wordende grond in een dalletje.
De toenemende drassigheid culmineert in de ontdekking van enkele ijle moerasorchissen (Anacamptis laxiflora) die vochtige, voedselarme graslanden prefereert, liefst met kwelzones, en in onze contreien uitgestorven is door het verdwijnen van dat specifieke habitat. Het is een interessante kennismaking met een sierlijke soort.
Een andere opvallende soort is de aangebrande orchis (Neotinea ustulata) die zijn naam niet gestolen heeft en vooral droge tot halfdroge kalkgronden nodig heeft, ik vond hem dan ook vooral tegen de hellingen aan van dit gebied.
Een eenzame bergnachtorchis (Platanthera chlorantha), eveneens een soort van voedselarme gronden, torent wit uit boven de tongorchissen.
Het is dit jaar in de Brenne dat mijn liefde voor wilde orchideeën pas echt goed losbreekt als ik in het Maison de la nature een determinatiegids koop voor orchideeën. Ik heb deze groep al sinds mijn bachelorproef op habitatsfragmentatie en effecten daarvan op Mannetjesorchis (Orchis mascula) zeer interessant gevonden, ook door hun rol in het ecosysteem door hun vereiste samenwerking met diverse myccorhiza's -goedaardige schimmels die voedingsstoffen zoals water en stikstof leveren aan het groeiende stofzaad tot de plant groot genoeg is om suikers terug te leveren. Dit aanblik op de diverse harlekijn- en tongorchissen is voor mij dan ook een hemel op aarde.
Maar ik verlies de andere simpele dingen nimmer uit het oog, naast de talrijke bloedcicades (Cercopis vulnerata) zijn overal ook de schuimnesten van de schuimcicade (Philaenus spumarius) -what's in a name?- te vinden. Dit staat in de volksmond ook wel eens bekend als koekoeksspuug. Ze vormen het schuim door lucht uit te ademen in vocht dat via de anus wordt uitgescheiden en het dient om de larven en de nimfen te beschermen tegen uitdroging en predatoren.
Dat we in de Brenne veel kalkhoudende bodems aantreffen reflecteert zich ook in de fauna zoals dit Aardbeidikkopje ( Pyrgus malvae). Het is een Centraal- en Zuid-Europese soort die als waardplant aardbeiplanten nodig heeft die rijkelijk aanwezig zijn op deze kalkgraslanden.
Dankzij de weldadige warmte zijn de dagvlinders veel actiever en is Jan ook veel gelukkiger ...
Aan de vele boterbloemen te zien is het beneden, aan de ingang, duidelijk iets voedselrijker. Hun gele kopjes strijden met het zonlicht om het meeste contrast. Het is een zaligheid om zich tijdens de middaglunch met croissants, stokbrood en geitenkaas, neer te vleien in de hoge grassige begroeiing en boven de ogen de bloemen te zien dansen tegen de blauwe lucht...
Een andere ontdekkingsreis, op een tip van Guido en Greta, zou ons leiden naar de Carrière de Breuil, een steengroeve onder Le Blanc waar vele aapjesorchissen (Orchis simia) hun dolle bloemen tentoonspreiden waarop soms vlinders zoals een boswitje (Leptidea sinapis) zich te rusten begeven.
Paarse planten priemen plots uit de bermen, een van de eerste dingen die mij opvallen als we het pad vervolgen naar de rondom liggende kalkgraslanden. Ik blijf prompt staan: dit zijn de zeer zeldzame Paarse aspergeorchissen (Limodorum abortivum), wederom een Zuid-Europese soort die dankzij het milde klimaat van de Brenne zich een pak noordelijker kan standhouden. Het is een zeer onregelmatige bloeier, vooral in droge seizoenen. Zelfs als er een bloemstengel ontstaat - zoals op de foto, in de vorm van een paarse asperge- gaan de bloemen nog niet gegarandeerd open. De bloemen bevruchten in dat geval zichzelf. In zeer extreme situaties kan de plant ondergronds bloeien en zichzelf bestuiven !

Een andere interessant weetje is dat, in tegenstelling tot vele andere orchideeën, dat deze plant zich als een epiparasiet gedraagt: hij is voortdurend in strijd met de schimmel waarop hij teert, in plaats van een symbiose te vormen steelt hij voedingsstoffen van de schimmel zonder iets in de ruil aan te bieden. Er zijn niet veel orchideeën die dit doen maar later op de dag zou ik nog zo'n soort tegenkomen: het eveneens bladgroenloze vogelnestje (Neottia nidus-avis).
Een onbekende tor kruipt dieper weg in de boterbloem, op zoek naar 'n smakelijk hapje pollen en nectar.
Ook voor deze aardwantsen (Lygaeus equestris) is het lente en in tegenstelling tot hun omgeving laten zij er geen gras over groeien ...
Diep in het gras weggedoken schuilt een Paarse parelmoervlinder (Boloria dia) na de vele regens van de voorbije dagen.
Ook andere insecten zijn nog steeds weggedoken, zelfs in de kronen van paardenbloemen.
En wijl de margrieten zachtjes buigen onder de druk van de wind ...
... overpeinst een atalanta (Vanessa atalanta) de dag op zijn geliefkoosde boomstam.
Verderop onder een oude fruitboomgaard dat nog goed onderhouden werd bloeiden de spinnenorchissen (Ophrys sphegodes) naar hartelust. De Nederlandse naam van de plant is nogal misleidend omdat de bloem op het achterlijf van een spin lijkt hoewel ze worden bestoven door zandbijen die aangelokt worden door haar bloemvorm en de feromonen die ze afscheidt die lijken op vrouwelijke exemplaren van deze zandbijen. Het is een tactiek die algemeen toegepast wordt binnen het Ophrys genus dat men ook de "spiegelorchissen" noemt door hun nabootsingen van insecten.
Verderop onder de met korstmosen rijkelijk begroeide stammen steken de forse bloemkronen van de purperorchissen (Orchis purpurea) uit tegen het donkergroene loof van de achterliggende eiken en hazelaars.
Maar niet alleen de orchideeën zorgen voor een rijk kleurenpalet losjes in de hand van een onzichtbare schilder, ook de klaprozen, boterbloemen, walstro en de bloeiende grassen dragen zo hun esthetisch steentje bij rondom de steengroeve. Het was een aangename voormiddag op de snel opwarmende kalkgronden en het smaakt naar meer.
Jan en ik besluiten dan ook om de volgende tip van Guido te doen en de Rocher de Rives te bezoeken tegen de rivier L'Anglin. Onderweg ernaartoe treffen we dit magnifieke mannelijke exemplaar van de blauwe kiekendieven (Circus cyaneus) die loom over de velden zijn jacht voortzette. We blijven enkele minuten toekijken met onze verrekijkers, in verrukking gebracht door de elegantie van zijn trage, trefzekere vlucht.
Na een tijd rondgezworven te hebben bereiken we dan eindelijk de rots die we zochten, uittorend boven ons en vandaag ht doelwit van meerdere klimmers die elkaar beveiligden op zijn steile kalksteenwanden.
Het is in het bos rondom de rots waar we nog een paar ontdekkingen zouden doen zoals dit wit bosvogeltje (Cephalanthera longifolia). Ze komt voor in heel Europa maar is een kalkzoeker en prefereert lichte schaduw van bosranden en open bossen, deze combinatie is in de Lage Landen zeer zeldzaam geworden. Haar Nederlandse naam ontleent ze aan de sierlijke, bijna origami-achtige vorm van haar bloemen.
Ook hier in de doorbrekende meizon, zijn de smulpapen van gouden torren (Cetonia aurata) volop op voedseltocht, op zoek naar energierijke pollen en zoete nectar.
Plots valt mijn oog op iets waarvan ik denk dat het een van de parasitaire bremrapen (Orobanche) betreft maar bij nader onderzoek zie ik hoe de bloemetjes de typische orchideeënvorm aannemen: het is het eerder genoemde vogelnestje dat net als de paarse aspergeorchis aan epiparasitisme doet en de schimmel misbruikt. Daardoor hebben ze geen bladgroen nodig om voedsel aan te maken.
Ook opvallend in het bos zijn de diverse kleine torende nesten die de mieren hier maken. Ettelijke dergelijke bouwsels lijnen zich op langs en op de paden: een getuige van de maatschappelijke structuur en collectief geheugen van deze boeiende eusociale insecten.
Dan tref ik weer een spiegelorchis aan: deze keer de vliegenorchis (Ophrys insectifera), ook hier heeft de naam enkel te maken met de vorm van de bloem en niet met de werkelijke insecten die deze plant aantrekt met feromonen, in dit geval zijn dat graafwespen.
Maar zoals met alle mooie verhalen komt er eens stilaan een einde aan en op onze laatste dag blijkt de zon met de blauwe lucht een stevige coalitie gesloten te hebben om ons het beste weer van heel de week te geven, de relatie tussen die twee levert felle schitteringen op de wijdse vijvers van Beauregard waar zich ook een kolonie kokmeeuwen (Chroicocephalus ridibundus) zich gevestigd heeft.
Met de zonnestralen komen ook de reptielen buiten zoals deze ringslang (Natrix natrix) die in zijn privésloot van een rustige namiddag geniet ...
Net zoals deze Europese moerasschildpad (Emys orbicularis) die zijn metabolisme op temperatuur brengt vooraleer terug het water in te gaan.
Het is duidelijk dat we ons terug in de laaggelegen delen van de Brenne bevinden, dat had ik vorig jaar met de fiets al gemerkt toen we terug naar de camping fietsten en het is hier ook duidelijk aan de steeds aanwezige waterpartijen die zoveel leven verschaffen.
Her en der fladderen de groentjes (Callophrys rubi) rond om te profiteren van de uitbundig bloeiende bremplanten (Cytisus scoparius) die ook zijn waardplant kunnen vormen. Het hoeft geen betoog dat deze soort, net als zovele anderen die zijn dominante kleur delen, een van mijn stiekeme favorieten uitmaakt. Weetjes zoals dat de genusnaam Callophrys van het Grieks afgeleid is en "mooie wenkbrauwen" betekent, zijn daar zeker niet vreemd aan ...
Een andere opvallende verschijning tussen de bramen door is deze flashy blauwe ijsvogelvlinder (Limenitis reducta), een soort die warme tot zeer warme vochtige plaatsen prefereert. Als ik het warme kwelwater mijn blote voeten in hun sandalen voel omspoelen, weet ik dat het biotoop meer dan correct is.
Waterjuffers in een paring zorgen intussen voor de volgende generatie aan vochtige fladderaars.
En terwijl een roodborsttapuit (Saxicola rubicola) onrustig in het topje van een struik op en neer wipt ...
... is mijn trouwe Passat weer gans volgeladen en klaar voor de terugreis naar ons Belgenlandje.
Want ondanks de vele regenbuien en het frissere weer dat de meeste vlinders inactief maakte zijn Jan en ik heel tevreden. De natuur stroomt terug door onze aderen, genoeg om er weer een paar weken tegen te kunnen bij pendeluren en sollicitaties, genoeg om steeds weer respect voor haar op te brengen. Genoeg om weer te herleven...