Come forth into the light of things. Let Nature be your teacher.De vogels fluiten zachtjes hun repertoire in de optrekkende nevels, de zon wordt wakker in het bekende rozige licht van de dageraad, in de open velden en polders van West-Vlaanderen is een eenzame auto reeds op de baan. De koeien zijn reeds wakker en zijn aan hun zondagse ontbijt begonnen. Dan verheft de zon zich eindelijk boven de horizon op magnifieke wijze. Wij naderen intussen bijna onze bestemming. Reinhardt en ik zijn onderweg naar het Zwin waar wij deelnemen aan de excursie voor mijn vak "Ornithology" dat ik aan de Universiteit van Gent volg als aanvulling op mijn studieprogramma aan de K.U. Leuven. Deze vroege zondagochtend, begin mei, twintig voor zeven 's morgens, staan wij op de parking van het Zwin waar de Ooievaars (Ciconia ciconia) reeds een hapje zoeken. 's Middags zouden wij opmerken hoe ze rond de picknickende mensen elegant sluipen, belust op gemorste hapjes. Weer een voorbeeld van hoe dieren zich aan de mens en zijn aanbod van extra voedsel kunnen aanpassen. Onze professor arriveert te voet van Knokke omdat zijn auto in panne ligt. Als de bus uit Gent aankomt, kan de excursie eindelijk beginnen. Zowel een Nachtegaal (Luscinia megarhynchos), goed in de struiken weggestopt met zijn melodieuse zang, als de wit bebaarde Grasmussen (Sylvia communis), die zich wél laten zien, laten zich van hun beste kant horen. Een poging om te trektellen levert weinig op, ondanks de goede trekcondities is de trek dit jaar een waar raadsel. Waar onze vogels vastzitten, niemand weet het. Feit is dat ze slechts druppelmatig ons land bereiken. Wel pikken we twee Purperreigers (Ardea purpurea) op die gestaag doorvliegen richting Nederland. En de lokale Visdiefjes (Sterna hirundo) stelen de show met hun sierlijke vangkunsten. Een andere zeer leuke verrassing voor mij is mijn eerste Belgische waarneming van een Dwergstern (Sternula albifrons) en de eerste waarneming die ik zo duidelijk kon doen door de telescoop dankzij de JNM'ers van Brugge die op pad waren in Zeebrugge, waar wij de excursie van vandaag afsloten. De Dwergstern is duidelijk te herkennen aan de diminutieve grootte en de vrij forse oranje snavel naast de zwarte band die door het oog loopt. Deze foto is genomen door een telescoop maar toont toch de algemene contouren van deze mooie soort. Het is een zeldzame stern op Europees niveau omdat ze broeden op verlaten zandstranden met een rijke vloedlijn vol wier en ander aanspoelsel, condities die erg zeldzaam zijn geworden, behalve in het strandreservaat Baai van Heist dat hier aan de andere kant van de havengeul ligt. Hier ondernemen ze al enkele jaren broedpogingen maar deze mislukken bijna altijd door de zwervende vossen en katten. Reinhardt, Charlotte en ik besluiten om samen nog naar de Uitkerkse polders te trekken. Dit gebied heb ik dit jaar al meerdere keren bezocht maar het blijft prachtig om Kieviten (Vanellus vanellus) zo dicht te kunnen observeren en fotograferen zoals dit vrouwtje dat insecten uit het gras plukt... Of een Kauw (Corvus monedula) die heel nieuwsgierig gedrag vertoont in het halfhoge gras ... Maar ik blijf wat op mijn honger zitten, door de tegenvallende trek en de lang doorwerkende effecten van die lange winter tot in april en de erop volgende droogte heeft ervoor gezorgd dat de normale aantallen van weidevogels een flinke dreun gekregen hebben vergeleken met dezelfde periode in 2012. Dat geldt zeker voor de Grutto's (Limosa limosa) die vochtige graslanden nodig hebben voor hun voedsel dat voornamelijk uit wormen en emelten (larven van langpootmuggen) bestaat. We zien maar enkele vogels in de uitgestrekte polders, het is wel interessant om dit verschijnsel verder op te volgen wat nu ook koortsachtig gedaan wordt door natuurstudiegroepen in de Lage Landen. Met de aantallen van Kluten (Recurvirostra avosetta), die vooral waterbeestjes lusten die ze met hun kromme snavel uit 't water zeven, is er niet veel mis. Deze Kluut voelt zich heel erg in zijn nopjes en spat het water tot meer dan een meter ver, tot zijn eigen groot jolijt, want hij zou zijn wasbeurt en spatspelletje zeker zo'n twintig minuten volhouden. Nog een Belgische eersteling voor mij was deze Steltkluut (Himantopus himantopus) die zich verrassend snel voortbewoog ondanks zijn fragiel uiterlijk en zijn schijnbaar ongemakkelijk hoge positie. De volgende morgen zijn we nog vroeger op pad voor een bezoekje aan het vogelringstation in Veurne, waar een natuurgebied al sinds eind jaren '70 opgevolgd wordt. Dit gebied is voor ons land een van de belangrijkste leef- en doortrekgebieden voor diverse rietvogels zoals Cetti's zanger (Cettia cetti), Kleine karekiet (Acrocephalus scirpaceus), Bosrietzanger (Acrocephalus palustris) en de zeldzame Rietzanger (Acrocephalus schoenobaenus). Op doortrek en soms pleisterend vangt men hier ook de belangrijkste Belgische aantallen van de Europees sterk bedreigde Waterrietzanger (Acrocephalus paludicola), slechts 13.000 broedparen wereldwijd (!), waarvoor men in Oost-Europa inmiddels leefgebieden beschermt en opnieuw inricht. Voor een vogelringer is de Cetti's zanger snel te onderscheiden van andere rietzangers door zijn typisch aantal van 10 staartveren -de anderen hebben er altijd 12. De Bosrietzanger is een langeafstandstrekker, hij overwintert in het zuidoosten van Afrika in tegenstelling tot de Kleine karekiet die tot de moerassen in West-Afrika vliegt. Je ziet het in hun vluegelspanwijdte die groter is dan bij bijvoorbeeld een Cetti's zanger die eerder ter plaatse overwintert. De Rietzanger is herkenbaar aan de brede witte streep boven het oog en een bleke middellijn op de bovenkant van zijn kop. Deze vogels kenden een sterke inzinking van de populaties sinds de jaren '60 die in Nederland dankzij de grote natuurgebieden een halt toegeroepen is. In Vlaanderen zijn ze helaas nog niet hersteld, hoewel in de kustpolders zoals hier in Veurne er wel een vrij gezonde populatie aanwezig blijft. Ook deze ochtend vliegt voorbij en we sluiten de excursie af met een korte determineersessie in de IJzermonding in Nieuwpoort waar ook de Grote sternen (Thalasseus sandvicensis) van de partij zijn, te herkennen aan hun zwarte kuif en zwarte forse pootjes en snavel. Ook deze Huismus (Passer domesticus) vraagt zich af wanneer het nu eens zou regenen... Na een wekenlange droge koude en droge warmte was de natuur kurkdroog. In de heidegebieden werd zelfs het brandalarm in werking gezet. Gelukkig volgden enkele regenachtige weken en herleeft de natuur inmiddels als nooit tevoren ! We nemen afscheid van de vogels aan de kust, maar zoals gewoonlijk: ik zal terugkeren ! Want wat is er beter dan de natuur als leraar ?
William Wordsworth
Posts tonen met het label excursies. Alle posts tonen
Posts tonen met het label excursies. Alle posts tonen
vrijdag 7 juni 2013
Een snuifje ornithologie
dinsdag 26 maart 2013
Werkstage Hamont-Achel
A nation that destroys its soils destroys itself. Forests are the lungs of our land, purifying the air and giving fresh strength to our people.De winter houdt de lente nog even gegijzeld dus keer ik eventjes in mijn herinneringen terug naar de werkstage in de bossen van Hamont-Achel. Dit is een dorp in het uiterste noorden van Belgisch Limburg, tegen de Nederlandse grens geplakt. Deze herinneringen spelen zich af in dit dambord van landschappen, gaande van moerasbossen langs de Warmbeek -een unieke bewaard gebleven meanderende beek met allerzuiverst water- tot aanplantingen van Grove den (Pinus sylvestris) en Corsicaanse den (Pinus nigra) gemengd met vennen en heide. Rein, Arne en ik kregen de mogelijkheid om mee te gaan met de werkstage van de bio-ingenieurs van de K.U.Leuven omdat deze dit jaar met een zeer kleine groep waren. Het zou een zeer gezellige week worden in een mooie streek ... Eerst is het tijd voor een verkennende wandeling langs de percelen van de K.U. Leuven die via een legaat in 1981 aan de universiteit geschonken werden en samen zo'n 165ha omvatten. Zelfvoorziening in budget noodzaakt het multifunctionele beheer van natuurwaarden (o.a. via reservaten die geld opbrengen dankzij subsidies en passend bosbeheer) maar ook productie van hout en recreatie. Een ideaal leerterrein voor de praktijk en uitdagingen van bosbouw in de 21e eeuw. Zoals gezegd is de Warmbeek is een van de weinige beken in Vlaanderen met nog een natuurlijke meanderende loop en zeer zuiver water omdat ze nergens door intensieve landbouw of industrie omringd wordt voor ze dit gebied binnenstroomt. De aanvraag voor de status van bosreservaat loopt nog, ondanks de beperkte oppervlakte is dit in Vlaanderen het enige (!) overstromingsbos langs een natuurlijke waterloop. Boomsoorten zoals Es (Fraxinus excelsior) typeert het vochtige karakter. Het ironische van de naam "Warmbeek" ontgaat ons echter niet op deze winterse februarinamiddag. De verkennende wandeling leidt ons langs de percelen van de K.U. Leuven waar men de natuurlijke dynamiek van de Warmbeek in actie ziet met de bijhorende glooiende en steile oevers. Historische dreven vragen een aangepast beheer. Soms zijn ze dringend aan verjonging toe en moeten ze gekapt worden en opnieuw aangeplant. Toch is het steeds een moeilijke keuze want ook oude en/of dode bomen bieden een grote biodiversiteitswaarde, hier zelfs voor bijvoorbeeld de zeldzamere Franjestaartvleermuizen (Myotis nattereri). Deze dreefboom is een typische vleermuizenschuilplaats, te herkennen aan de spoor van mest en het groene mos dat deze nutriënten volgt. Eveneens interessant zijn deze oude taluds die recent gerestaureerd werden: zij zijn de historische omwallingen van de hoeven om vee binnen en wilde dieren buiten te houden. Van oudsher waren deze zeer dicht begroeid met geknakte eiken die in elkaar geweven werden om zo een perfect ondoordringbare haag te vormen. Een ander cultuurhistorisch overblijfsel, afkomstig van de turfwinning in deze heidestreek, is dit hersteld ven dat van groot belang is in een hele vennenschakel voor de zeldzame Rugstreeppad (Epidalea calamita). De eerste dag 's avonds kregen we nog een les van Bert van Inverde over veilig en correct kettingzaaggebruik, het onderhoud van de machine en het vellen van bomen. Dan was het slapen in de koude zaal geblazen met prettige anticipatie voor de volgende dag wanneer we de imposant razende kettingzagen zelf ter handen mochten nemen. Spannend ... 's Morgens beginnen we eraan en na enkele oefeningen op stammetjes op 'ezels' -zoals we dat hier in het Leuvense noemen, die V-vormige steunpunten om brandhout te verzagen, mogen we oefenen op rechtopstaande stammen. Dit was de voorbereiding om de kettingzaag veilig te gebruiken op de bomen die in de namiddag geveld moesten worden. Arne en ik hadden al heel wat geoefend en deze mooie verwijzing naar de Afrikaanse kunst opgebouwd, dit is wel twee dagen blijven staan tot het een slachtoffer werd van het grote kampvuur op de laatste dag ... Arne en ik vormen ook een team in de namiddag als we zelf bomen moeten vellen. In modern bosbeheer zijn soms dunningskappingen nodig om andere bomen beter te laten groeien, zeker in een bos met een gemengde doelstelling van productie en natuurbehoud. Deze Els (Alnus sp.) was de eerste die we omlegden; het was meteen een goede oefening in het inschatten van de natuurlijke valrichting en het uitvoeren van val- en velsneden opdat de boom zou vallen waar we hem wilden hebben. Dit was een scheefgegroeide boom die naar een andere richting moest vallen om andere bomen niet te beschadigen. Dit lukte ons wonderwel. Arne heeft deze twintig meter lange Els, ongeveer 22 jaar oud, de velsnede gegeven en ook de stronk moet mooi afgesneden worden zodat deze niet inrot, het zijn hakhoutstoven en de stronk moet dus terug loten doen uitgroeien. Dat is pas het echte werk, bomen vellen ! Bert besluit als praktijkvoorbeeld eens te tonen hoe ze het doen bij erg scheve bomen die bovendien ook nog eens bij een beek groeien. Heel veel boomlinten, een katrol en een handlier worden hiervoor ingezet. Ward mag de sneden zetten. En tenslotte gaat de boom ter vlakte, precies waar wij hem wilden zien. Dat is een kunst op zich ! Na afloop voelt iedereen zich toch wel een beetje stoerder dan normaal en de sfeer, die is geweldig ... Van links naar rechts staan Laura, Annelies, Sofie, Ward, onze instructeur Bert, en dan tenslotte de biologen: Arne, Rein en ik. Let vooral op het stichtende voorbeeld van Arne over hoe men een kettingzaag vooral niet moet vastpakken ... ! Alles voor de educatieve voorbeelden ! De dag zit er weer op ... en een superlekkere maaltijd staat ons weer op te wachten in het inmiddels wat opgewarmde scoutslokaal. Na een deugddoende nachtrust begroet de ochtendzon ons om zeven uur met deze prachtige kleuren. Ook de volgende dag is het werken geblazen om ons te laten kennis maken met het werk in het veld. Natuurbeheer is immers niet alleen plannen opstellen, men moet ook een idee hebben van de vele werkuren en moeite die erin kruipen om deze uit te voeren. In de voormiddag is het voor ons maaien en het maaisel afvoeren geblazen. In de namiddag ga ik mee de toekomstbomen opsnoeien, met beitel en zaag. De langste zaag is zo'n 8 meter lang en dient om de hoogste takkenkransen weg te zagen: een lastig werkje zo in de hoogte want Ward en ik krijgen na zo'n anderhalf uur toch wel serieus last van kramp in onze rechterarm. Duidelijk een werkje dat je gewoon moet geraken en dat toch ook wel erg belastend is voor de nek, schouders en rug. Chapeau voor de mensen die dit geregeld doen. Het is geen noodzakelijk werk maar moet men wel uitvoeren indien men echt kwaliteitshout wilt produceren zonder kwasten. Het is onze laatste avond en wij biologen besluiten om nog "rap eens beesten zoeken". In de namiddag is er sneeuw gevallen en verse pootsporen zijn overal te vinden. Dit vossenspoor volgen Rein, Arne en ik voor meer dan een uur dwars doorheen het uitgestrekte bos. Erg spannend en meerdere malen speelden we het even kwijt tot we ergens terug afdrukken vonden. Ook de interactie -een speelse ronde plek- met een andere vos was af te lezen in dit potenverhaal. De echte vos zouden we helaas niet zien. Na meer dan een uur volgen sprong het vossenspoor ineens over een beek. Rein sprong er ook over en controleerde de andere kant, toen duidelijk werd dat het spoor te koud was en het dier al ver weg was gaven we het op, maar leerrijk en spannend was het zeker ! Martersporen vonden we eveneens in de sneeuw, deze verdwenen snel in het riet waar we het spoor weer bijster raakten. Martersporen zijn onder andere te herkennen door de paarsgewijze 'zetting' van de poten, gevormd door de typische sprongen van marters. Intussen waren we weer twee uur onderweg in de sneeuw en begonnen we toch te verlangen naar het grote kampvuur met iedereen errond, met pintjes en vele verhalen ... Het was een heel leerzame week en ik ben dankbaar dat ik de kans heb gekregen deze kant van bosbeheer te leren kennen. En dat werken met de kettingzaag, die kracht, het is toch wel iets speciaals !
Franklin D. Roosevelt
maandag 18 juni 2012
Ecostage Wales - aan het werk
Biologists have begun to understand that nature is a chain of dominoes: If you pull one piece out, the whole thing falls down. Lose the animals, lose the ecosystems. Lose the ecosystems, game over.Ook hier in hartje Wales is er dan wel veel natuur aanwezig, toch voelen ze hier ook de hete adem van ontwikkeling, eutrofiëring en vervuiling. In 1996 liep er hier nog een olietanker op de klippen door een beslissende fout van de kapitein, het ongeluk ligt achter elk hoekje.
Caroline Fraser - Could re-wilding avert the 6th extinction ? in Scientific American
Maar je kan ook moeilijk handelen als je niet weet hoe het systeem ineen zit en welke actoren en factoren er een rol in spelen. Dat geldt zeker voor mariene systemen waar wetenschappers nog maar de laatste 10 jaar echt inzicht beginnen te krijgen in processen dankzij informatica en satellieten, isotooptracering en genetische technieken. Intussen snelt de 6e massale extinctiegolf zich voort : deze afname van biodiversiteit en het uitsterven van soorten is vele malen groter dan de normale natuurlijke extinctie en heeft als belangrijkste oorzaak de mens die met vervuiling, habitatsfragmentatie en overexploitatie soorten met hun rug tegen de muur zet. Het is dus meer dan ooit belangrijk om te weten wat er is, hoe het werkt en hoe je het kan beschermen om stabiliteit van een gans ecosysteem te verzekeren.
Hierbij heb je ook mensen nodig, duurzaam werken is ook mensen een duurzaam bestaan geven. Een belangrijke toekomstvisie hierin is het GLB (Gemeenschappelijk landbouw beleid) van de Europese Unie die helaas weer in kortetermijnsdenken dreigt te vervallen en te weinig aandacht geeft aan plattelandsontwikkeling. Nochtans kan het perfect om voedselproductie en milieudiensten te combineren. Boeren zijn niet dom, zij weten ook hoe groene bermen en corridors kunnen bestaan maar ze zijn al jaren pesticiden en mest gewoon, dat omdraaien wordt een moeizaam traject bovenop de lage prijzen die ze terugkrijgen voor hun producten. Een oneerlijke strijd.
Voorlopig lijkt dit nog een "ver-van-ons-bed" show maar geloof me, zowel voor een bijna afstuderende biologiestudent als voor u als consument is dit van levensnoodzakelijk belang. Zonder een duurzaam functionerende landbouw en in stand gehouden ecosysteemdiensten (zoals klimaatsbuffer, gratis waterzuivering en wateroverlast beperking !) zal het leven onmogelijk duur en verarmd worden in de komende twintig jaar. Zelfs in Dale, met al het waarnemingsplezier op de kliffen, op zee en de projecten die we moesten uitvoeren, bleef dat in mijn achterhoofd hangen. Het nut van deze stage is vooral om praktijkervaring op te doen met het opstellen en uitvoeren van een veldonderzoek. Noodzakelijk voor later ! En Dale is hiervoor wel goed gelegen, dit kleine Engels dorpje, een voorschoot groot, ligt in een dal dat in vroegere geologische tijden een kanaal was tussen de zee en de baai. De landtong was toen een eiland. Nu zijn het groene weiden en de rotsige kliffen die het uitzicht domineren. Na een lange klim kom je op het topje van de landtong aan het Dale Fort. Het ligt daar hoog en droog met een perfect uitzicht op de baai. De accomodaties zijn perfect voor groepen nieuwsgierige biologiestudenten en we kregen tegen de rots, te bereiken via vele trappen, een klaslokaal aangewezen. De kamers van de jongens hadden ook een uitzicht waar we niet over mochten klagen, de ochtend van de tweede dag zagen we nog een Jan-van-Gent (Morus bassanus) onder ons raam doorschieten ... De vele Boerenzwaluwen (Hirundo rustica) die dit fort "thuis" noemen vliegen af en aan, dag in, dag uit. Een plezant spektakel om 's morgens mee wakker te worden. In Dale is de zee dus nooit ver weg. Castlebeach Bay snijdt zich diep in het land en iets verderop komt de rivier Glann in de baai en vormt zo een estuarium dat voor steltlopers zoals Wulpen (Numenius arquata), Regenwulpen (Numenius phaeopus) en Grutto's (Limosa limosa) van belang is.
Estuaria zorgen ook voor het vastleggen van stikstof in dit systeem in het sediment zodat het niet in de oceaan terecht komt. Verlies de estuaria en je loopt risico op eutrofiëring van het continentaal plat dat kan leiden tot toxische algenbloei. Daarnaast zijn het plaatsen van zeer hoge productiviteit met enkele soorten maar in enorme aantallen die zich veelal in het slib ingraven en zo een gedekte tafel vormen voor Scholeksters (Haematopus ostralegus) en de andere steltlopers. Ook voor vissen is zo'n systeem erg belangrijk als kraamkamer. Alaria esculenta, dat Rein hier in de wind laat wapperen, is een wier dat tot twee meter groot kan worden en in jonge toestand een smakelijke aanvulling vormt op de gerechten hier. Tussen de rotsen tref je wel eens anemonen zoals deze mogelijke Paardenanemoon (Beadlet anemone, Actinia equina). Het estuarium van de Glann rivier wordt hier gekenmerkt door een stenige bodem met veel kanalen en grijs slib. Als we rond de rivier liepen kwamen we in grasvelden terecht met poeltjes waar ook krabben inzaten ! De zoute invloed van de zee bepaalt hoe een estuarium zich ontwikkelt, dat werd hier wel duidelijk. Verder stroomopwaarts waren er rietmoerassen en ruigtes die een zangvogelrijkdom opleverden voor onze recordpoging ! Maar er moest dus ook gewerkt worden, zoals dit strandvlooienproject waarbij we aan beide kanten van de baai (noord en zuid) twee soorten strandvlooien gingen verzamelen (door stenen om te draaien en wier uit te schudden) en dan later in diverse groepen gingen zien hoe ze zich gedroegen. Was hun vluchtreflex bepaald door de zon of het zicht op het water en zou het een genetisch bepaalde richting zijn die dan logischerwijze zou verschillen tussen de noord- en de zuidkant ? Ons groepje (met Gert, Arne, Rein en ikzelf) moesten de strandvlooien binnen testen terug in Dale Fort om te zien hoe ze sprongen als ze geen zonlicht noch visuele kenmerken meer hadden. Later zou professor Tom Wenseleers deze resultaten statistisch verwerken. U ziet op de laatste foto Gert die de papieren voorbereidt en de kom met de cijfers die met de kompas gericht werd : 1 was het noorden. Bij de statistische verwerking kwam het uit dat er tussen de twee soorten een verschil bestond en tussen de twee kanten van de baai ook ! Hier is dus lokaal een gedragsevolutie geweest. Dan tenslotte werden we in groepen verdeeld en moesten we nadenken over een eigen project : we moesten een hypothese opstellen en we moesten die op maximum twee dagen kunnen testen. Mijn groepje met Koen, Jelena en Sjoerd werkte op Vinpootsalamanders (Lissotriton helveticus) en hun voedselselectie op zoöplankton. Dit hield in dat we de nodige beestjes moesten gaan vangen in een poel op een twintigtal minuten stappen langs de kliffen. We deden dit vooral 's nachts omdat je dan in het water kon schijnen en zo beter kon vangen. Hier ziet u Koen die de gevangen salamanders controleert in de emmer. We moesten het water ook filteren met het planktonnet om de salamanders een dag "uit te hongeren" zodat ons experiment vlotter zou verlopen. Bij deze poel kwamen we andere leuke dingen tegen zoals deze wolfsspin van het genus Pirata die over het water kon lopen. Ook onder water was het meer dan boeiend, bijvoorbeeld met deze Staafwants (Ranatra linearis). Ook overdag werd er geprobeerd en verzamelden we waterplanten voor ons experiment. Koen en Jelena zoeken hier salamanders. Een van de begeleiders Bram in zijn element : het water. Hij ging er nog dieper in dan ik ! Sjoerd wordt bijna uitgekleurd door de massa's bloeiende Gaspeldoorn (Ulex europaeus) en die blauwe hemel van die mooie lentedagen. Onder water zorgen de kikkervisjes en de Waterranonkel (Ranunculus aquatilis) voor een poëtisch uitzicht. Dit is "Olly the newt" : ons groepje was Engelstalig -Jelena is een buitenlandse studente- en het koosnaampje van deze enige mannelijke Vinpootsalamander die al in paarkleed was, werd Oliver. Heel typisch zijn de uitgegroeide staartvin, de vinnen op de achterpoten waar de soort zijn naam van heeft en die amper zichtbaar zijn in landfase en de donkere streep door het oog. Nadat we met het mariene planktonnet, dat we geleend hadden van de zeer aardige senioren van de "Plankton group" die ook op een studieweekendje in Dale Fort waren, onze stalen gevangen hadden moesten we determineren wat erin zat om zo te bepalen of het testen van onze hypothese van "visuele selectie op grote soorten" haalbaar zou zijn. Dit is wat je in de binoculair ziet. Links ziet u Cladocera (Daphnia), rechts ziet u de gelige langgerekte beestjes : dat zijn Copepoda, in dit geval zie je de lange antennes (en soms ook 1 eikapsel) dus zijn het calanoïden, anders waren het cyclopoïden (die korte antennes en twee eikapsels kunnen hebben). Dit zijn de aquaria waar ons experiment zich een zestal uren zich afspeelde. We hadden drie behandelingen met drie replica's : een controle (enkel zoöplankton), een "sheltered" met waterplanten, zoöplankton en een salamander; en tenslotte een "exposed" met enkel zoöplankton en een salamander. De hypothese was dat de salamander in de "exposed" meer visueel zijn voedsel zou selecteren op grootte en dat de salamander in de "sheltered" eerder zou pakken wat hij maar tegenkwam en dat het effect van selectie minder sterk zou zijn. De controle was er om de zoöplankton te kunnen vergelijken met de bakken waar ze gegeten konden worden. Na afloop van het experiment moest de zoöplankton per bak uitgefilterd worden, gefixeerd worden op formol en onder de binoculair bekeken en geteld worden. Jelena legt het petrischaaltje op de binoculair voor bestudering en vooral voor tellingen. Dat kostte ons nog veel tijd en we waren blij te kunnen rekenen op de expertise van onze enthousiaste professor Luc De Meester die zijn leven aan zoöplankton (vooral Daphnia magna) en evolutie heeft gewijd. Wij waren het enige groepje dat op zoöplankton werkten en daar was hij maar al te gelukkig mee, zodanig zelfs dat ook hij 's avonds laat -zeg maar 's nachts- vaak meeging om te vangen en vrij te laten. Een andere verrassing was ook dat hij evenzeer enthousiast was om met ons mee Dassen (Meles meles) te gaan zoeken, we zagen enkel Vossen (Vulpes vulpes) maar het waren even goed leuke, onverwachte momenten.
Zo vlogen de dagen voorbij en de laatste dag werd voornamelijk besteed aan het verwerken van onze data en deze in een powerpoint te presenteren aan de groep. Er waren vele originele projecten -zelfs op pissebedden- en dan was de laatste avond weer voorbij. Er was nog een afscheidsfeestje maar ik ging vroeg slapen. De volgende morgen kon ik dan velen stiekem lachend observeren als ze half zat zich naar het ontbijt sleepten. Rein wist zelfs niet meer dat ik hem wakker gemaakt had door op zijn wangen te kloppen en hem te verplichten koud water op zijn gezicht te gaan plenzen. Kijk, dat vind ik grappig ... Zeker toen hij samen met Alexander tijdens de terugreis op de bus zich op het middenpad legde om te slapen samen met drie kwart van de andere studenten ... Dat hoort er ook bij op zo'n stage... Uiteindelijk zijn we terug op weg vanuit Dover naar Calais. De laatste kans om nieuwe soorten te zien maar de nieuwe soorten bleven weg. Onze lijst is uiteindelijk gestrand op 80 soorten door ook wat pech maar we hadden wel een heel aantal andere soorten dan de recordlijst van 96 had. Jammer, maar we zijn wel een verdienstelijke 3e (van 4 pogingen) geworden. En dit doet géén afbreuk aan het geweldige van heel deze ecostage. Wat ik daar geleerd heb zal ik met me meedragen in toekomstig onderzoek, want wetenschappers zoals ik zullen meer dan ooit mee de toekomst moeten vastleggen en de wereld moeten redden voor ze ten onder gaat. Meer dan ooit zullen wij de politiek en het publiek moeten overtuigen van het belang van natuur en biodiversiteit.
We komen traag op gang, misschien te traag ?
Abonneren op:
Posts (Atom)