Instructions for living a life: pay attention, be astonished and tell about it.Het leven is pas leven als je jezelf openstelt voor verrassingen zoals Mary Oliver al liet noteren. Ik kan haar alleen maar gelijk geven, aangename verrassingen doen het hart opspringen en de ogen dansen van blijdschap. Dat was toch wat ik gewaar werd op die late augustusdag, bij een nieuw bezoek aan de Viroin, toen ik op de heuvels bij Doischy mijn ogen uitkeek op de benevelde donkere stenen en het lichte zomergras, een aanblik dat onverandelijk de Alpen evoqueerde. Het is een aanblik dat men maar zelden verwacht aan te treffen in België. Ik was verrast. Brokstukken van een oude steengroeve lijnden de schrale graslanden af en zorgden mee voor het alpiene uitzicht, iets dat de groeiende planten ook niet ontging... ... want planten zoals wit vetkruid (Sedum album) en steenbreekvaren (Asplenium trichomanes) zijn typische planten van stenige bodems die hun oorsprong kennen in de berggebieden van Europa. Steenbreekvaren is daarnaast ook biogeografisch interessant omdat deze quasi overal ter wereld voorkomt op stenige substraten, van Afrika tot Amerika, van de Himalaya tot in Europa. Het lijkt wel een bekend liedje ... Ze getijen hier weelderig en zorgen samen met de andere planten zoals de rijpende sleedoornbessen en de felle kleuren van de bramen voor dat toefje herfst dat stilaan in de lucht komt. Een late rups van koninginnepage (Papilio machaon) is haar eigen blitse zelf terwijl ze het diner afwacht op één van de vele schermbloemigen die hier nog bloeien. De nevels zorgen voor prachtige taferelen dichtbij de bodem zoals de druppels als parels op dit klokje (Campanula sp.). Als Reinhardt en ik dan richting de andere kalkgraslandjes vertrekken, op zoek naar leuke foto-onderwerpen en even leuke flora, groet de kerktoren van Treignes ons al in de verte. De regenachtige dag schijnt geluk te brengen want in tegenstelling tot het ene plantje van vorig jaar werden sommige graslanden nu bij momenten massaal bezet door prachtige, vaak uitbundig bloeiende, Duitse gentiaan (Gentianella germanica). Ondanks haar naam komt deze plant eigenlijk van nature voor van Engeland, over Frankrijk en de lage landen tot in de Balkan. Maar de Viroin is eerst en vooral nog altijd een streek gevormd door de landbouw en langs de wegen vindt men dan ook nog steeds akkers waar tussen de reeds geoogste graanstoppels typische ruderalen groeien zoals akkerviooltje (Viola arvensis) dat deels via zaaigoed door mensen bijna wereldverspreid is en akkervergeet-mij-nietje (Myosotis arvensis). Maar de Viroin is niet alleen een plaats om steeds met plezier tegen de kleine dingen aan te kijken zoals Henry David Thoreau schreef: "and yet employed myself happily and profitably there prying with microscopic eye ..." maar het is ook een streek met prachtige landschappen die stilaan hun herfstige opsmuk voor de spiegel van mijn lens opbrachten. Toch wordt het oog van de natuurliefhebber steeds terug naar die kleine dingen getrokken. Een vochtige augustusmaand zorgde voor een ongeziene vroege explosie van paddenstoelen en die diversiteit was ook merkbaar in deze graslanden. Die neus dicht tegen de grond brengt Reinhardt plots in vervoering als hij in het hoge gras één van zijn doelsoorten ontdekt: kleinjwarkruid (Cuscuta epithymum). Het is een sierlijke plant dat de hele zomer bloeit met rooswitte bloemetjes, dat zich om de stengels slingert en op deze kruidachtigen van de kalkgraslanden ook parasiteert door met zuigorgaantjes, de zogenaamde haustoriën, de plant binnen te dringen en zo voedingsstoffen en water te ontnemen.. Intussen is het weer aan het opklaren en worden de vlinders, zoals dit tweede generatie bruin blauwtje (Aricia agestis), tot vliegen gelokt door de snel opwarmende lucht. Een van oorsprong Centraal- en Zuid-Europese soort is dit een van de vele insecten die profiteren van het warmere klimaat om noordwaarts op te schuiven. In Groot-Brittannië heeft ze zo haar areaal maar liefst 79 kilometer opgeschoven naar het noorden. Prachtige bloemrijke graslanden zijn hier geen uitzondering. Om dat te behouden is natuurbeheer broodnodig. De Viroin is een landschap beïnvloed door eeuwenoude landbouwpraktijken waarbij begrazing van de arme gronden door schapen, zoals in de heidegebieden, van cruciaal belang was. De soorten hier hebben zich massaal aangepast aan dat begrazingsregime. Toen de moderne landbouw en de bijhorende maaibalken en bemesting zijn intrede deed, verloren we in snel tempo de natuurlijke rijkdom van dit gebied, een natuurlijke rijkdom die ooit door mensen -onbewust- gecreëerd werd. Thans gebruikt men terug lokale schapenrassen, zoals Ardense voskop, een link met het verleden om de toekomst van onze biodiversiteit te garanderen. Buiten de natuurgebieden regeert nog wel de moderne landbouw maar dergelijke oude tractoren als deze David Brown hebben ook hun charmes. Op de Roche à Lomme staat het trouwe kruis nog steeds als een baken in het uitgestrekte landschap van de vallei van de Viroin die aan de voet van de rots stroomt. Het is hier dat we een nieuwe soort voor mij ontdekken: afgesleten rotsvlinders (Lasiommata maera) vliegen druk over de witte kalkstenen en blijven slechts zelden zitten. Paarse parelmoervlinders (Boloria dia) profiteren eveneens van de plots doorgebroken zonstralen. Herfsttijloos (Colchicum autumnale), nog een andere zeldzame plant, bloeit in ijle schoonheid langs de paden. Oorspronkelijk komt ze uit het Middelandse zeegebied maar komt nu in heel Europa voor. Ze oogt heel onschuldig maar ze bevat colchicine, een zeer sterk alkaloïde, dat regelmatig jonge kinderen trof die de zaadddozen als ratelaars gebruikten en al eens zaden opaten. In beperkte doses is het een ontstekingsremmend middel maar wegens het gemakkelijk overschrijden van een geneeskundige naar een giftige dosis wordt het niet meer gebruikt. In de middeleeuwen waren die ontstekingswerende eigenschappen enigszins bekend en droeg men de knol als amulet om zichzelf te beschermen tegen de pest en tandpijn. Een andere interessante vondst op de rotsen is bloedooievaarsbek (Geranium sanguineum), interessant door het vormen van een kluwen van ondergrondse wortels waaruit verschillende stengels groeien die een roodachtige schijn hebben en donkergroene bladeren dragen met roodpaarse of helderrode bloemen. De naam lijkt zo een vanzelfsprekendheid. Ook deze plant prefereert kalkrijke en voedselarme bodems en heeft hier dus een ideale thuishaven gevonden. En terwijl deze schattige gele bolletjes aan mijn voeten de lens begroeten ... ... groet een mestkever, acrobatisch balancerend op zijn grassprietje de nazomer die, zo blijkt nu, nog lang haar einde niet kende. Dit beestje was een van de vele, kleine, verrassingen van die dag en herinnert mij steeds weer aan het leuke van natuurlijke verrassingen... Dat gevoel zal ik steeds proberen om te blijven delen.Mary Oliver
Posts tonen met het label insecten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label insecten. Alle posts tonen
woensdag 29 oktober 2014
Lokroep van kalk en stenen
zondag 24 augustus 2014
Over bloemen en bijtjes
I would like you to show me, if you can, where the line can be drawn between an organism and its environment. The environment is in you. It's passing through you. You're breathing it in and out. You and every other creature.De laatste decennia is het steeds maar duidelijker geworden, behalve voor de modale burger, dat geen enkel organisme los staat van zijn omgeving en zijn leefgebied. Dat geldt ook voor onze akkergewassen die sterk afhankelijk zijn van de bestuiving door insecten, meestal bijen maar ook hommels, vlinders en andere insecten spelen hier een rol in. Door de schaalvergroting van de landbouw en het verdwijnen van groene elementen, gingen ook deze bestuiversgemeenschappen de dieperik in. Het besef groeit echter meer en meer van wat we aan het verliezen zijn en diverse onderzoeken zijn inmiddels opgestart die eerst en vooral de precieze link van de bestuivers met deze akkergewassen onderzoeken en andere onderzoeken die pogen te vinden welke oplossingen het beste zijn om zoveel mogelijk nuttige insectengemeenschappen te kunnen ondersteunen in de moderne landbouw, niet alleen voor bestuiving maar ook voor pestcontrole. Zo ook Roel zijn onderzoek aan de Université de Liège dat zich richt op verschillende groenstroken die in akkers aangelegd worden en ingezaaid worden met een akkerbloemenmengsel met plantensoorten die zeer nectarrijk zijn en geliefd zijn bij bijen en andere insecten. Het positieve effect van deze groenstroken is reeds vastgesteld, wat Roel nu probeert uit te vinden is welke combinatie van bloemenmengsels het beste werkt in de groenstroken zelf. Hiervoor heeft hij in Gembloux een proefveld van koolzaad tot zijn beschikking waarvan de opbrengst gewogen wordt en vijf groenstroken in dit proefveld waarin de diverse mixen getest worden door inventarisaties en het vangen van insecten. Ze strekken zich uit onder onze ogen, in de steeds warmer wordende junizon, op het matige reliëf van het proefveld. De pitfalls staan omgekeerd, die hebben hun eerste ronde er al op zitten. Hier worden insecten in gevangen in een plakkerig mengsel, later worden ze op alcohol bewaard voor verdere determinatie onder de binoculair. In een andere groenstrook stonden ze nog open, een naartsig naar voedsel zoekende klein geaderd koolwitje (Pieris napi) trok er zich weinig van aan. Nu had Roel vooral hulp nodig bij het opmeten van willekeurig gekozen exemplaren van alle plantensoorten. Deze gegevens worden later meegenomen in de analyse omdat de structuur van een plant ook belangrijk is om microhabitats te vormen voor insecten. Hoe forser, ingewikkelder of vertakter een plant, hoe meer potentiële diversiteit aan "leefgebiedjes" en dus aan insecten deze kan bieden. We moesten een aantal "traits" zoals lengte, stengeldikte en breedte op verschillende hoogtes meten, daarnaast moesten we ook een inschatting maken van de hoek van de bladstand. En dit allemaal voor tien planten per soort, kortom, er was werk aan de winkel zoals bij deze wilde cichorei (Cichorium intybus). Het veldwerk -nu eens in een echt veld- was zeker geen straf temidden van de prachtige uitzichten op de uitbundig bloeiende margrieten, klaprozen, kaasjeskruiden, ... Ondanks de brandende zon en de snel uitdrogende kelen schoot het werk goed op. Naast het opmeten van de planten moesten er ook foto's genomen worden, op een gestandaardiseerde manier, van de vegetatiestructuur zelf. Dankzij de zwarte achtergrond kan een computerprogramma later deze structuur in cijfers samenvatten die dan weer in een statistische analyse gebruikt kunnen worden. Mijn job hier was eigenlijk om te dienen als grondanker: ik moest zorgen dat de plaat goed stond en ook bleef staan in de soms felle windstoten. De twee werkdagen vlogen voorbij in het veld. Het is er stil, op de enkele vliegtuigen na. De gierzwaluwen (Apus apus) tjirpen boven de velden en af en toe zet een sprinkhaan zijn keel open maar je merkt nergens dat je vlakbij een drukke steenweg en studentenstadje zit. Zo typisch voor Wallonië is het feit dat, als je eenmaal het centrum uit bent gekomen, bijna alle bebouwing verdwijnt voor landbouw en natuurgebieden. Ik zou het haast met de Franse slag kunnen noemen. Moe na een hele dag in de zon, met uitgedroogde wangen, keer ik terug naar huis, tevreden met deze kennismaking van een andere tak van de ecologie dan waar ik mij gewoonlijk mee bezig hou. We zijn nooit te oud om iets anders te doen !
Wendell Berry
donderdag 31 juli 2014
Bonte reflecties
Man is the most insane species. He worships an invisible god and destroys a visible nature. Unaware that this nature he's destroying is this god he's worshipping.Nergens in België is bovenstaande uitspraak zo waar als hier op de versnipperde kalkgraslanden van de Viroin. Maar het is ook hier dat er hoop mag regeren. Hoop op een wereld vol met diverse soorten met hun goede en kwalijke kantjes. Hoop op een terug samenleven met de natuur waarvan wij zo vervreemd zijn geraakt. Het microklimaat en de weldadige, soms hete zonnestralen op de vuilwitte en grijzige stenige bodems lokken zowel insecten, reptielen, bontgekleurde flora als mensen naar de Viroinvallei rond Nismes. Het is een lokroep naar het zuiden, naar vreemd ogende flora en grote insecten. Een buitenlandse reis in eigen land. Komt u even mee? Dit jaar ging ik twee keer om de seizoenale veranderingen te ondergaan en te kijken hoe de graslanden tot leven komen. Midden april zijn ze nog het bijna exclusieve domein van de gulden sleutelbloemen (Primula veris) die ijl en geel de curieuze bezoeker groeten. Anders dan zijn familielid, de slanke sleutelbloem (P. elatior) zoeken deze gulden sleutelbloemen de arme bodems op en voelen ze zich heel thuis in de voedingsarme stenige bodems van de streek. Tussen de tientallen gulden sleutelbloemen zorgen de mannetjesorchissen (Orchis mascula) nog voor een tintje rood. Het is een van de vroegste orchideeën in ons land en is zo vroeg bloeiend geëvolueerd over de eeuwen heen door zijn gebondenheid aan hakhoutbossen die ooit heel algemeen waren doorheen Europa. Boeren kapten op geregelde tijdstippen de telgen van de hakhoutstoven af - vaak eiken- en zorgden zo voor geregelde lichtinval in het bos waar onder andere deze orchidee zeer van profiteerde. Door de afname van de noodzaak van hout voor brandstof en andere materialen werd ook het traditionele, arbeidsintensieve hakhoutbeheer langzaam verlaten en kwijnde de mannetjesorchis weg. Dankzij aangepast beheer in de Viroin is de soort terug aan het toenemen en onderhoudt stevige populaties ondanks de versnippering. Dat verleden van hakhoutbossen weerspiegelt zich nog in de zeer omvangrijke basissen van de meeste eiken hier. Maar de echte rijkdom van een kalkgrasland, daarvoor moet men zijn neus en zijn ogen veel dichter naar de grond richten zoals voor dit reigersbek (Erodium cicutarium) dat algemeen op arme groeiplaatsen kan getijen, zelfs op stoeptegels in de stad. Die neus tegen de grond kan soms tot vijftig plantensoorten per vierkante meter opleveren ! Het lijkt een contradictie maar door de voedselarme omstandigheden worden lage vegetaties gecreëerd en honderden kleine niches waarin telkens een soortje kan getijen. Ecologen noemen dat een "patchy" omgeving. Met zijn neus tegen de grond zitten, Jan heeft niet liever dan het leven op kleine schaal... Toch hoeft men niet altijd tegen de grond lopen snuffelen. Zelfs heuse Belgische canyons zijn hier te vinden zoals de beroemde Fondry des Chiens. Het is een kalksteenformatie die om nog onontdekte redenen op deze wijze uitgesleten is geraakt. Snuffelen wordt er toch nog wel gedaan, zoals door deze gouden tor (Cetonia aurata) die met succes zoete nectar zoekt. Dankzij een heel warme winter en een goed en droog voorjaar zijn de vlinders dit jaar heel vroeg beginnen vliegen en zijn de klassieke vliegtijden soms met een maand vervroegd ! Deze vers uitgeslopen paarse parelmoervlinder (Boloria dia) was zich aan het opwarmen in de aprilzon. Op de snel opwarmende heuvels waant men zich snel in Frankrijk, dat tenslotte maar enkele kilometers weg ligt. Het is een Belgische mini-versie van de Ardèche. Elk moment kan er een zeldzame roofvogel op thermiek overvliegen of een slang schichtig wegvluchten tussen de stenen door ... Breed openwaaiende dennen, schriele eiken en bleke berken vormen pilaren voor een enkele boompieper (Anthus trivialis) en later op het jaar vormen zij ideale zangposten voor een paar spotvogels (Hippolais icterina). Mijn knieën zien als gewoonlijk weer af want dan spot ik weer leuke dingen tegen de grond zoals deze citroenvlinder (Gonepteryx rhamni) die zijn naam niet gestolen heeft. Het is een van onze klassieke eerste vlinders van het voorjaar, fladderend tussen kale bomen. Het is een vlinder die open bossen en bosranden opzoekt en die zich dus ook goed thuis voelt in de vele kleine bosjes die de Viroin rijk is. De regio staat ook altijd garant voor speciale fladderaars zoals dit zeldzame kaasjeskruiddikkopje (Carcharodus alceae). Zoals de naam het al suggereert is onder andere groot kaasjeskruid (Malva sylvestris) een van hun geprefereerde waardplanten. Dit is een plant die warme gronden nodig heeft en ook de vlinder is van oudsher een eerder zuidelijke soort die de laatste jaren haar noordelijke grens aan het verleggen is: in Vlaanderen is ze sinds kort in lage aantallen aan het voortplanten, voornamelijk in Vlaams-Brabant, in Wallonië heeft ze leefbare maar kwetsbare populaties gevormd. In Nederland is ze enkel nog maar te vinden op de Sint-Pietersberg in de Voerstreek. Ook het typische aardbeidikkopje (Pyrgus malvae) is weer van de partij. Het is een soort die vooral planten van de rozenfamilie zoekt en die zijn volop vertegenwoordigd op de ruwe graslanden hier. Later op het jaar, midden juni, beginnen ook de andere soorten rond te vliegen zoals dit groot geaderd witje (Aporia crataegi). In België staat het beschreven als een dwaalgast maar hier is er een kleine populatie van deze grote en teer uitziende vliegers gevestigd. Maar tot mijn grote favorieten behoren toch deze dambordjes (Melanargia galathea). De naam alleen al ! En dan die schattige oogjes ! Het is een soort van warme, schrale, droge graslanden en ruigten en is in België dan ook enkel hier en in de Gaume in redelijke aantallen te vinden. Het vleugelmotief toont de herkomst van de naam. Ik vind de sobere lijnen en de mooie contrasten heel aangenaam op het netvlies: een simpele, elegante soort heeft altijd een streepje -of vakje- voor. Nu de zomer nadert bereiken de meeste orchideeënsoorten hun hoogtepunt zoals deze bokkenorchis (Himantoglossum hircinum) met zijn kronkelende bloemenlippen die doen denken aan reptielachtige tongen -de Engelse naam is dan ook Lizard's orchid- en de bekende, muffe schapengeur die de soort zijn Nederlandse naam bezorgde. Toch kan de bokkenorchis niet tippen aan de elegante slanke verschijning van de grote muggenorchissen (Gymnadenia conopsea) die wachten op de nachtvlinders met hun lange tongen; het zijn deze soorten die aan de nectar kunnen komen die als een belofte wenkt op het einde van de zeer lange bloemenspoor, door deze nectar te oogsten verzorgen zij de pollinatie van de soort door de pollinia, die op hun achterlijf afgezet worden, te verspreiden. Een soort die de belofte van zoete hemelen nog benadrukt met een weeïge zoete geur is de welriekende nachtorchis (Platanthera bifolia). Zoals haar naam al zegt geeft ze deze geur vooral 's avonds vrij, ook voor de nachtelijke insecten die voor de pollinatie zorgen. De Latijnse soortnaam 'bifolia' is haar gegeven doordat ze vaak maar twee bladeren heeft aan de voet van de stengel. Toch zijn er ook de orchideeën die bedriegen, zoals ik in de Brenne al ontdekte. Deze onschuldig ogende bijenorchis (Ophrys apifera) is er eentje van: zij lokt insecten met geurstoffen die sterk lijken op vrouwelijke feromonen van deze insecten. Als de mannetjes in de val lopen en de bloem willen bevruchten, worden de pollinia op het lijfje afgezet en blijven hangen tot het mannelijke insectje bij 'n volgende bloem weer om de tuin geleid wordt. Het zijn echter geen bijen, de Nederlandse naam is gegeven door de sterke gelijkenis van de onderste bloemlip met het achterlijf van een bij, toch is het kleurpatroon eerder bedoeld om visueel ook aantrekkelijk te zijn voor de insecten die de plant lokt. Een bloem met dezelfde tactiek en die er wat op lijkt maar een robuustere, roder gekleurde bloem heeft is de hommelorchis (Ophrys holoserica). Bestuiving gebeurt hier door langhoornbijen (Eucera) en door bepaalde zweefvliegen (Syrphidae). In de Viroin moet men soms hard doorwerken om de mooie plaatsen en uitzichten te bereiken zoals hier op de Roche à Lomme maar het is steeds weer de moeite waard ... Het is ook op deze kalkberg dat wij deze braamparelmoervlinder (Brenthis daphne) aantreffen: dit is echt een dwaalgast in België vanuit Frankrijk en heeft hier geen populaties, door haar grootte is zij echter een goede langeafstandsvlieger en kan men haar tegen de Franse grens met wat geluk ook aantreffen. Ze werd pas in 2006 in ons land voor het eerst aangetroffen ! Ook zij lijkt steeds noordelijker op te schuiven. Het slangenkruid (Echium vulgare) zorgt her en der voor vrolijke blauwe toetsen in het dorre gras. Deze ruwbladige is een echte kalkzoeker, vooral in de duinen maar ook op de kalkgraslanden hier. Interessant is het oude gebruik van haar wortels voor de fabricage van rode verf. Poppenorchis ofwel nog sprekender "Orchis homme-pendu" (Orchis anthropophora) heeft zijn naam ontleend aan de sprekende vorm van de bloemen. Haar voorkeur voor kalkgraslanden en haar gewoonte om nieuwe bladeren in de herfst te vormen zijn aanduidingen van een oeroude Middellandse zee-oorsprong. Een kleurenpracht kleedt dit aandoenlijke zomertafereel. Het lijkt wel een bloemencatalogus maar dan in realiteit. Dwergblauwtjes (Cupido minimus) waren de kleine vlinders die snel en speels voor ons uit schoten, ternauwernood onze robuuste wandelschoenen vermijdend. Ook dit is een kalkindicator die zijn waardplant, wondklaver (Anthyllis vulneraria), volgt. Kleine vos (Aglais urticae) daarentegen is een algemene soort die de laatste jaren het gelukkig weer beter doet dankzij enkele goede vlinderjaren qua weer en temperatuur. Rozige tinten worden verzorgd door de komvormige bloemen van akkerwinde (Convolvulus arvensis) en grote tijm (Thymus pulegioides). Een parasitaire plant, een bremraap, vermoedelijk grote bremraap (Orobanche rapum-genistae), staat vreemd, haast dor, tussen de kleurenpracht. Het zijn planten die leven op wortels van andere soorten en zo hun voedingsstoffen afnemen. De Latijnse genusnaam Orobanche weerspiegelt dit: het komt van het Griekse orobus (peulvrucht) en anchoo (wurgen). Tweekleurig hooibeestjes (Coenonympha arcania) vertonen zich af en toe met hun felle contrasten. Bruine zandoogjes (Maniola jurtina) zorgen voor de volgende generatie die volgend jaar zal uitkomen, dit is geen soort met meerdere generaties in één jaar. Deze foto toont ook al wat er zal volgen: het vrouwtje zet de eitjes namelijk af op diverse soorten grassen. Dankzij deze ruime vereiste is dit ook een vlinder dat men echt overal in graslanden en bermen kan zien fladderen. Muurhagedissen (Podarcis muralis) zijn als vanouds heel verlegen, noem ze schichtig maar ze lijken soms nieuwsgierig aangelegd... Bonte reflecties kleuren het landschap naarmate de zon haar hoogtepunt aan de einder begint te verlaten. Muurpeper (Sedum acre), een typisch vetplantje dat naar peper smaakt, kleurt de stenen mee met haar fijne gele bloemetjes. Terwijl de bloemen de bonte reflecties van de hoge junizon versterken ... ... speuren Pieter en Jan nog steeds voort in de schrale graslanden. Zij hebben hun god in de natuur al gevonden. Het wordt tijd dat al die miljoenen anderen dat ook eens beginnen te doen ...
Hubert Reeves
Abonneren op:
Posts (Atom)