Instructions for living a life: pay attention, be astonished and tell about it.Het leven is pas leven als je jezelf openstelt voor verrassingen zoals Mary Oliver al liet noteren. Ik kan haar alleen maar gelijk geven, aangename verrassingen doen het hart opspringen en de ogen dansen van blijdschap. Dat was toch wat ik gewaar werd op die late augustusdag, bij een nieuw bezoek aan de Viroin, toen ik op de heuvels bij Doischy mijn ogen uitkeek op de benevelde donkere stenen en het lichte zomergras, een aanblik dat onverandelijk de Alpen evoqueerde. Het is een aanblik dat men maar zelden verwacht aan te treffen in België. Ik was verrast. Brokstukken van een oude steengroeve lijnden de schrale graslanden af en zorgden mee voor het alpiene uitzicht, iets dat de groeiende planten ook niet ontging... ... want planten zoals wit vetkruid (Sedum album) en steenbreekvaren (Asplenium trichomanes) zijn typische planten van stenige bodems die hun oorsprong kennen in de berggebieden van Europa. Steenbreekvaren is daarnaast ook biogeografisch interessant omdat deze quasi overal ter wereld voorkomt op stenige substraten, van Afrika tot Amerika, van de Himalaya tot in Europa. Het lijkt wel een bekend liedje ... Ze getijen hier weelderig en zorgen samen met de andere planten zoals de rijpende sleedoornbessen en de felle kleuren van de bramen voor dat toefje herfst dat stilaan in de lucht komt. Een late rups van koninginnepage (Papilio machaon) is haar eigen blitse zelf terwijl ze het diner afwacht op één van de vele schermbloemigen die hier nog bloeien. De nevels zorgen voor prachtige taferelen dichtbij de bodem zoals de druppels als parels op dit klokje (Campanula sp.). Als Reinhardt en ik dan richting de andere kalkgraslandjes vertrekken, op zoek naar leuke foto-onderwerpen en even leuke flora, groet de kerktoren van Treignes ons al in de verte. De regenachtige dag schijnt geluk te brengen want in tegenstelling tot het ene plantje van vorig jaar werden sommige graslanden nu bij momenten massaal bezet door prachtige, vaak uitbundig bloeiende, Duitse gentiaan (Gentianella germanica). Ondanks haar naam komt deze plant eigenlijk van nature voor van Engeland, over Frankrijk en de lage landen tot in de Balkan. Maar de Viroin is eerst en vooral nog altijd een streek gevormd door de landbouw en langs de wegen vindt men dan ook nog steeds akkers waar tussen de reeds geoogste graanstoppels typische ruderalen groeien zoals akkerviooltje (Viola arvensis) dat deels via zaaigoed door mensen bijna wereldverspreid is en akkervergeet-mij-nietje (Myosotis arvensis). Maar de Viroin is niet alleen een plaats om steeds met plezier tegen de kleine dingen aan te kijken zoals Henry David Thoreau schreef: "and yet employed myself happily and profitably there prying with microscopic eye ..." maar het is ook een streek met prachtige landschappen die stilaan hun herfstige opsmuk voor de spiegel van mijn lens opbrachten. Toch wordt het oog van de natuurliefhebber steeds terug naar die kleine dingen getrokken. Een vochtige augustusmaand zorgde voor een ongeziene vroege explosie van paddenstoelen en die diversiteit was ook merkbaar in deze graslanden. Die neus dicht tegen de grond brengt Reinhardt plots in vervoering als hij in het hoge gras één van zijn doelsoorten ontdekt: kleinjwarkruid (Cuscuta epithymum). Het is een sierlijke plant dat de hele zomer bloeit met rooswitte bloemetjes, dat zich om de stengels slingert en op deze kruidachtigen van de kalkgraslanden ook parasiteert door met zuigorgaantjes, de zogenaamde haustoriën, de plant binnen te dringen en zo voedingsstoffen en water te ontnemen.. Intussen is het weer aan het opklaren en worden de vlinders, zoals dit tweede generatie bruin blauwtje (Aricia agestis), tot vliegen gelokt door de snel opwarmende lucht. Een van oorsprong Centraal- en Zuid-Europese soort is dit een van de vele insecten die profiteren van het warmere klimaat om noordwaarts op te schuiven. In Groot-Brittannië heeft ze zo haar areaal maar liefst 79 kilometer opgeschoven naar het noorden. Prachtige bloemrijke graslanden zijn hier geen uitzondering. Om dat te behouden is natuurbeheer broodnodig. De Viroin is een landschap beïnvloed door eeuwenoude landbouwpraktijken waarbij begrazing van de arme gronden door schapen, zoals in de heidegebieden, van cruciaal belang was. De soorten hier hebben zich massaal aangepast aan dat begrazingsregime. Toen de moderne landbouw en de bijhorende maaibalken en bemesting zijn intrede deed, verloren we in snel tempo de natuurlijke rijkdom van dit gebied, een natuurlijke rijkdom die ooit door mensen -onbewust- gecreëerd werd. Thans gebruikt men terug lokale schapenrassen, zoals Ardense voskop, een link met het verleden om de toekomst van onze biodiversiteit te garanderen. Buiten de natuurgebieden regeert nog wel de moderne landbouw maar dergelijke oude tractoren als deze David Brown hebben ook hun charmes. Op de Roche à Lomme staat het trouwe kruis nog steeds als een baken in het uitgestrekte landschap van de vallei van de Viroin die aan de voet van de rots stroomt. Het is hier dat we een nieuwe soort voor mij ontdekken: afgesleten rotsvlinders (Lasiommata maera) vliegen druk over de witte kalkstenen en blijven slechts zelden zitten. Paarse parelmoervlinders (Boloria dia) profiteren eveneens van de plots doorgebroken zonstralen. Herfsttijloos (Colchicum autumnale), nog een andere zeldzame plant, bloeit in ijle schoonheid langs de paden. Oorspronkelijk komt ze uit het Middelandse zeegebied maar komt nu in heel Europa voor. Ze oogt heel onschuldig maar ze bevat colchicine, een zeer sterk alkaloïde, dat regelmatig jonge kinderen trof die de zaadddozen als ratelaars gebruikten en al eens zaden opaten. In beperkte doses is het een ontstekingsremmend middel maar wegens het gemakkelijk overschrijden van een geneeskundige naar een giftige dosis wordt het niet meer gebruikt. In de middeleeuwen waren die ontstekingswerende eigenschappen enigszins bekend en droeg men de knol als amulet om zichzelf te beschermen tegen de pest en tandpijn. Een andere interessante vondst op de rotsen is bloedooievaarsbek (Geranium sanguineum), interessant door het vormen van een kluwen van ondergrondse wortels waaruit verschillende stengels groeien die een roodachtige schijn hebben en donkergroene bladeren dragen met roodpaarse of helderrode bloemen. De naam lijkt zo een vanzelfsprekendheid. Ook deze plant prefereert kalkrijke en voedselarme bodems en heeft hier dus een ideale thuishaven gevonden. En terwijl deze schattige gele bolletjes aan mijn voeten de lens begroeten ... ... groet een mestkever, acrobatisch balancerend op zijn grassprietje de nazomer die, zo blijkt nu, nog lang haar einde niet kende. Dit beestje was een van de vele, kleine, verrassingen van die dag en herinnert mij steeds weer aan het leuke van natuurlijke verrassingen... Dat gevoel zal ik steeds proberen om te blijven delen.Mary Oliver
Posts tonen met het label vlinders. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vlinders. Alle posts tonen
woensdag 29 oktober 2014
Lokroep van kalk en stenen
donderdag 25 september 2014
Spetteren in het Torfbroek
Happiness is not a station you arrive at, but a manner of traveling.De zomerzon op vochtige graslanden, wie kent het niet ? De julizon staat hoog aan de hemel en warmt het vochtige gras op, een zware, zoetige geur dringt de neusgaten binnen. De vogels zijn nu in hun broedtijd en zijn oorverdovend stil. Af en toe klapwiekt een duif weg tussen de boomtoppen maar het geluid wordt meestal verzorgd door de talrijke insecten en het "slobberen" van de schoenen in het drassige gras. Maar dan wordt de idylle even doorbroken door het geraas van een Airbus boven ons. Voor de vliegtuigen zijn wij een onzichtbare pixel in het natuurreservaat 'Torfbroek' in Kampenhout, recht in een van de aanvliegroutes voor Zaventem. Het gebied is een restant van een uniek moeras, gevoed door zeer kalkrijk grondwater en vormt zo een unieke en kalkrijke uitwijkplaats voor vele planten die in Vlaanderen verder uitgestorven zijn. Na vijftig jaar van verwaarlozing en een gedeeltelijke bebouwing met een villawijk kwam de rest van het gebied in 1977 in het beheer bij Natuurpunt. Het motto van dit reservaat is "Er zijn heel wat mensenhanden nodig om het eruit te laten zien alsof het door geen mensenhand beroerd is": de vele dichtgroeiende hooilanden en verlandende moerassen moeten ieder jaar onderhouden en gemaaid worden om deze unieke situatie te beschermen. Het herstel uit zich in prachtige populaties van orchideeënsoorten zoals de ranke verschijningen van bosorchis (Dactylorhiza fuchsii)... Maar ook de stijlvolle, met rozige rode tinten afgelijnde en fier uitstralende geelwitte bloemen van de moeraswespenorchissen (Epipactis palustris) sieren de hooilanden... Het is onder andere deze soort die in Vlaanderen erg zeldzaam is omwille van haar voorkeur voor kalkrijke vochtige gronden. In duinvalleien kan men ze ook af en toe aantreffen. Een groot dikkopje (Ochlodes sylvanus) kijkt even zijn ogen uit op die indringer van een macrolens. Op een grote muggenorchis (Gymnadenia conopsea), terug een kalkindicator die men in Vlaanderen énkel in het Torfbroek en in de Voerstreek vindt, rust een koevinkje (Aphantopus hyperantus), een typische graslandvlinder, eventjes uit. Maar een prachtige vondst was dit haast verstopte plantje in de hoge begroeiing: het is teer guichelheil (Anagallis tenella). Naast een echte tongbreker voor West-Vlamingen is het vooral een heel zeldzaam plantje dat hier zijn grootste dichtheden in Vlaanderen kent. Het is een plantje dat het moet hebben van vochtige, meestal vrij voedselarme gronden zoals vochtige hei, duinpannes en moerassige graslanden. Buiten België en Nederland wordt ze ook al eens op veengronden aangetroffen: haar Engelse naam is zelfs "bog pimpernel". Een andere zeldzaam plantje strekt zich voorzichtig uit in het hoge, bijna verstikkende gras: het is parnassia (Parnassia palustris), een soort die men vooral in de kustduinen weeral aantreft maar ook hier in het Torfbroek. Het is, net zoals de andere flora, een echte indicator van het oude en bijna onverstoorde karakter van het Torfbroek. Een oase temidden van de bebouwing. Om dit tijdsmachinebeeld te behouden werkt men samen met de toekomst: de lokale scholen komen jaarlijks met hun leerlingen mee helpen in het beheer van het reservaat. Het zo intacte aanblik van dit gebiedje zorgt ervoor dat ik in juli er twee keer een bezoekje aan breng. Eerst met Maxime en Simon om de laatste rietorchissen (Dactylorhiza majalis subsp. praetermissa), de uitbundig bloeiende bosorchissen en de hoogtij van de moeraswespenorchissen mee te maken, twee weken later met Reinhardt en Lore om dan de vegetatie al stilletjes te zien veranderen -het kan heel snel gaan, dat zag ik ook al in mijn thesis- met de plots overal opgedoken grote muggenorchissen en de stilaan in de bloei komende parnassia. Het is Lore die deze penseelkever (Trichius fasciatus) spotte en fotografeerde. Er zijn meerdere soorten die 'penseelkever' genoemd worden maar dit is wellicht T. fasciatus omwille van de doorlopende zwarte band op de voorste dekschilden tegen het borststuk. Indien deze niet aanwezig is, zou het T. zonatus zijn. Maar helaas is zekerheid enkel door microscopisch onderzoek van de genitalieën mogelijk.
Margaret Lee Runbeck
Het beestje is niet zo zeldzaam maar het vormde met zijn ingetogen schoonheid en vooral met zijn voortdurende smullen van de nectar een passende afsluiter in een pareltje van een natuurreservaat op slechts enkele kilometers van de steeds broeiende en uitdijende hoofdstad. Een ongelooflijke instandhouding gaat hier hand in hand met rust en toekomst. Het roept altijd een beetje geluk op. En dat, dat is de manier waarop je door de woelige wateren van onze hectische maatschappij met schreeuwende media en onrustige politiek moet navigeren.
donderdag 11 september 2014
Slenteren in de Westhoek
Don't question why she needs to be so freeDe Westhoek. Het stond al zolang op mijn lijstje en eindelijk sta ik hier, na al die jaren wachten, aan het paviljoentje in De Panne dat een van de ingangen markeert. Ik kijk uit op die rijen en rijen van duinen in hun diverse kleden van beige- en groentinten. Ze lijken haast een faux-pas te dansen in het grijze licht. Het is het oudste natuurreservaat van Vlaanderen, reeds in 1935 werd het als landschap beschermd en in 1957 kreeg het officieel erkenning als natuurreservaat. Dankzij die lange bescherming is het of hier de eeuwen stil hebben gestaan in tegenstelling tot de rest van de betonmuur dat wij onze kust noemen. Het is eind mei en we hebben een zeer natte maand achter de rug. Iets dat duidelijk merkbaar is in de duinpannen waar de hoge grondwaterstanden de voetjes nat maken. Reinhardt en ik plonsen vrolijk rond op zoek naar de rietorchissen (Dactylorhiza majalis subsp. praetermissa) en andere verrassingen. Deze natte toestanden zijn een paradijs voor watersalamanders zoals dit vrouwtje kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris) in waterfase. Deze waterfase is een aanpassing voor de voortplantingsperiode, zodra deze aanbreekt verliest de huid zijn leerachtige, waterafstotende eigenschappen en wordt gladder, feller van kleur om aantrekkelijker te ogen voor het andere geslacht en tenslotte ook terug meer doorlaatbaar om naast het gewone naar adem happen ook door de huid te kunnen ademen als ze in het water hun amoureuze akkefietjes beleven. Daar duiken ze dan eindelijk op in het hoge gras, tussen de grote ratelaars (Rhinanthus angustifolius) en langs de bermen van het wandelpad: de rietorchissen. Ze zijn snel te herkennen aan hun stevig gevulde bloementros in vergelijking met andere soorten orchideeën. Maar zij starten vaak heel bescheiden, laag tegen de grond en laten hun schoonheid reeds blijken in kleine gedaantes. En dan zijn zij ineens een forse plant, wuivend in de zeewind terwijl hun kleuren het diepe groen complementeren. Een zweetdruppel loopt langs mijn wannabe-bakkebaarden en een andere teistert mijn linkerwenkbrauw als ik in het diepere zand omhoog ploeter naar de volgende duintop. We zijn in de drogere delen gekomen, een mini-woestijn waar ik heel blij ben dat het een bewolkte dag is met een frisse zeewind. Voor de duinflora, meer dan 400 soorten, 1/5e van hen rode lijstsoorten, is het een dag als elke andere. Zij zijn de strijd tegen de hitte, nutriëntenarmoede en voornamelijk de droogte al gewoon: in tegenstelling tot mij zit het hen echt in de genen gebakken. Bitterzoet (Solanum dulcamara) is echter geen typische duinplant maar men treft deze soort in diverse biotopen aan die vaak wat voedselrijker zijn. De tweeledigheid van de naam, zowel in het Nederlands als in het Latijn (dulcis en amaris) komt door de aanwezigheid van glycosiden in de plant. Indien men op de stengel zou kauwen -zonder slikken- proeft men naar het schijnt eerst de glycosiden, die bitter smaken, maar die door het speeksel snel afgebroken worden tot onder andere sacharose komt er een zoete smaak naar voren. Het plantje behoort tot de zogenaamde heksenkruiden, een duidelijke verwijzing naar het oude gebruik van de plant in de volksgeneeskunde. Maar ook in rituelen kwam ze wellicht aan bod, zo werd er rond de nek van de mummie van Toetanchamon een ketting geregen van bitterzoetbessen aangetroffen. Welke betekenis deze had voor de Egyptenaren is jammer genoeg nog onduidelijk. Kortom, een heel interessante plant die niet snel over het hoofd te zien valt als ze in haar opvallende bloeivorm voor de dag komt. Daartegenover staat Duinreigersbek (Erodium cicutarium subsp. dunense), te herkennen aan de licht kleverige blaadjes waar zandkorrels aan blijven hangen. Het is een ondersoort van reigersbek die zich thuis voelt op zanderige ondergronden, een echt duinplantje dus. Het duurt echter niet lang of we bevinden ons terug langs een vochtiger graslandje waar grote keverorchissen (Neottia ovata) zich rechtop strekken en bloeien. Het is normaal een kensoort voor de klasse van de eiken- en beukenbossen op voedselrijke gronden, maar op vochtige, wat voedselrijkere graslanden kan ze zich ook goed handhaven. Terwijl een icarusblauwtje (Polyommatus icarus) even uitrust op een rietorchis, denk ik na over deze prachtige graslandjes. Ze worden opengehouden, niet alleen door de kudde grazers van het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB), de Konikspaarden, maar ook door de vele konijnen die de verbossing tegengaan en de duinen voldoende kaal houden zodat verstuiving nog steeds mogelijk is. In het hart van het reservaat kunnen de duinen nog "wandelen", een ongelooflijke vrijheid voor onze anders zo ingeketende natuur aan de Vlaamse kust. Daarnaast wordt er ook gepoogd om de verdroging van het gebied door de vroegere waterwinning tegen te gaan. Maar er zijn ook andere faunatische verrassingen te vinden op kleinere schaal zoals dit heggenranklieveheersbeestje (Henosepilachna argus) dat zoals de naam het al zegt vooral leeft van heggenrank (Bryonia dioica) en andere planten uit dezelfde komkommerfamilie. Het volwassen dier eet het blad af waardoor alleen de nerven overblijven en ook larven voeden zich op deze planten. Volgens waarnemingen.be wordt deze soort voornamelijk aan onze kust aangetroffen waar zijn favoriete voedselplant weelderig tiert in de jonge en vochtigere duinen. Een leuk weetje: volgens de Fransen roept het beestje op een of andere manier meloenen op want haar Franse naam is Coccinelle des melons ... Gewone ossentong (Anchusa officinalis) is een plant die oorspronkelijk in Oost-Azië haar verspreidingsgebied had maar is door de mens in Midden-Europa geïntroduceerd waar ze een pioniersplant is die dol is op warme omstandigheden en kalkhoudende grond. Ze wordt in Vlaanderen als een exoot beschouwd en komt bij ons vooral voor in de warme duinvalleien. Ossentong is een behoorlijk forse plant die tot tachtig centimeter hoog kan worden. Een andere plant met een exotisch tintje is hazenstaart (Lagurus ovatus) dat oorspronkelijk uit Zuid-Europa komt maar populair is geworden als tuinplant en zo vaak verwilderde, ze komt nu zelfs voor in Australië. Ook deze soort zoekt in onze contreien de warmte op in de duinen. Het is taxonomisch een heel interessant geval: het is de enige soort in zijn genus Lagurus. Het geruis van de Noordzee zwelt aan en daar staan we op het weidse strand. De bewolking drukt op het zand en het grijze licht zet alles in een haast onwerkelijk tintje dat ik steeds meedraag als ik aan onze kust denk. Hier, op de zeereep, is het terrein van de echte pioniers zoals deze zeepostelein (Honckenya peploides), een halofyte, dat 'zoutminnend' betekent, plant uit de anjerfamilie. Jawel, ze is een verre verwant van die prachtige anjers in de bloemenbak op het vensterbank bij uw groottante of buurman. De natuur is heel verscheiden ... Reinhardt en ik hebben deze verkenning achter de rug. Terwijl een nachtegaal (Luscinia megarhynchos) ons minutenlang toezong en een spotvogel (Hippolais icterina) ons even verwardde met zijn geslaagde imitatie van een scholekster (Haematopus ostralegus) blikken we terug op een ongelooflijk wild gebied ... Het is het waard om hier eens terug te komen. En dat doe ik dan ook eind juli, zo'n twee maanden later. Nu ben ik hier met enkele Gentse biologen, Emily, Katrien, Joke en Pieter, die ook eens wilden uitwaaien aan de kust. Het is weer bewolkt en ik slaak een zoute zucht van opluchting. Twee maanden later in de hoogzomer zijn er duidelijke veranderingen te zien in de vegetatie met zijn invloeden op het hele ecosysteem zelf, hoe klein of hoe groot ook. Ik voelde zo mijn thesis terug in mij opborrelen temidden van de groener geworden vegetatie. Voor de meeste planten zat de bloei er stilaan op maar andere soorten namen nu even het heft in eigen handen. Een van de prachtige soortjes in haar eenvoud is parnassia (Parnassia palustris), een plant die oorspronkelijk heel wijdverbreid voorkwam in vochtige, voedselarme graslanden zoals venen en zandgronden en soms moerassen maar die door eeuwenlange ontwateringen steeds zeldzamer werd. Nu is ze in Vlaanderen vooral te vinden in de duinen en sommige moerasgebieden die afhankelijk zijn van voedselarm kwelwater zoals bijvoorbeeld het Torfbroek in Kampenhout. Ook de vlinderfauna had nu een andere variatie met heel veel oranje zandoogjes (Pyronia tithonus) op het appèl. Haar zachtoranje verschijning gaf wellicht inspiratie aan de eerste taxonomische beschrijving van deze soort: de soortnaam tithonus verwijst naar een geliefde van Eos, de Griekse godin van de dageraad. Het is een soort die graag ruigtes en houtkanten heeft als territorium en zal eerder droge tot matig vochtige graslanden als leefgebied verkiezen. Ik tref ze bijna altijd aan op mijn zomerexcursies aan de Belgische kust. Een soort die men in bijna alle onbemeste graslanden kan aantreffen is deze elegante sint-jansvlinder (Zygaena filipendulae) die soms al eens verward wordt met de sint-jacobsvlinder (Tyria jacobaeae) maar te onderscheiden valt door zijn vele vlekjes. Met onze neus tussen de grassprieten treffen we plots de lage bloementrossen aan van de honingorchis (Herminium monorchis). Deze bloeit in juni en juli en heeft gelige bloemetjes die vaag naar honing geuren, ze is ook heel nectarrijk en beloont dus rijkelijk de insecten die haar bestuiven. Het is een soort die enkel op natte tot vochtige en kalkhoudende zandgronden voorkomt: een erg zeldzame situatie in ons landje, ze komt dan ook bijna uitsluitend in de Westhoek en een paar andere duingebiedjes voor. Met haar tere verschijning is het een prachtige soort om kennis mee te maken... Een ogentroost (Euphrasia sp.); vermoedelijk stijve ogentroost (E. stricta), staat zijn mannetje tussen de hoge grassen die steeds domineren. Dit slakje laat zijn rust er niet voor en heeft zich hoog op een grasspriet genesteld temidden van het roze decor van de reigerbekjes. Een ander typisch aspect van de Westhoek en haar intactheid is haar unieke ligging tegen de Franse grens. Net zoals zovele andere natuurgebieden -denk maar aan de Hoge Venen of Kalmthoutse heide- zorgde deze ligging, ver weg van economische centra, ervoor dat deze gebieden bewaard zijn gebleven voor onze bescherming en ons eigen nageslacht. Dit bord herinnert de argeloze bezoeker daaraan. Een onschuldig ogend bladwespje, lid van de Tenthredinidae, heeft even mijn vingers uitgekozen als rustplaats. Het zijn solitaire insecten en in tegenstelling tot wat de naam zou doen vermoeden kunnen zij niet steken. Het pad windt langs de diverse houtkantjes alvorens we terug de open duinvlaktes en hoge duintoppen betreden. Af en toe is er een eenzaam duinviooltje (Viola curtisii) te vinden, eveneens een echte duinsoort. Het is in de open vlakten dat we eindelijk de heivlinders (Hipparchia semele) aantreffen. Het zijn ware meesters in camouflage eens ze zich op de bodem neerzetten en hun vleugels snel toegeklapt hebben. Het is een zeldzame soort die het vooral moet hebben van dergelijke open, zanderige vlaktes die de soort in Vlaanderen vooral in de kustduinen, binnenlandse duinen en heidegebieden terugvindt. Anders dan de heivlinders was deze orchidee een volkomen onverwachte waarneming, het was ons eventjes een raadsel: het leek op de algemeen voorkomende brede wespenorchis (Epipactis helleborine) die zelfs in wegbermen, bosranden, tuinen en dergelijke kan groeien en zich voortplanten dankzij bestuiving door onder andere gewone wespen, maar de bloemen waren zo fors en felgekleurd. Het bleek de ondersoort neerlandica te zijn die soms de duinwespenorchis genoemd wordt. Het is een ondersoort die voorkomt op zandige bodems, zoals in duinen en dennenbossen, en die voor het eerst in Nederland gevonden is wat de Latijnse naam verklaart. Deze plant komt enkel voor in de kustzone langs het Kanaal, van Noord-Frankrijk tot Nederland en de kusten van de Oostzee. Nog even balanceren op de oneven knuppelpaden in het natte wandelstuk: waar Reinhardt in mei nog met zijn voeten in het water stond, is het nu helemaal opgedroogd op enkele vochtige plekken na. De rietorchissen zijn ook bijna allemaal verdwenen. Een oranje zandoogje kijkt mij nieuwsgierig aan als ik zijn struik voorzichtig benader. Het is de blik die ik in mezelf herken. Het was een geweldige kennismaking met een gebied dat ik al zolang van naam en faam kende maar nog nooit zelf ervaren had. Wat een misser ! Het is een van de weinige plaatsen in Vlaanderen waar de mens een minieme invloed op uitoefent en waar de natuur nog echt vrij kan zijn. Zij heeft dat nodig.
She'll tell you it's the only way to be
She just can't be chained
To a life where nothing's gained
The Rolling Stones - Ruby Tuesday
Don't question why she needs to be so free...
Labels:
ANB,
België,
Belgische kust,
duinen,
natuur,
natuurbeheer,
natuurreservaat,
Noordzee,
orchidee,
vlinders,
Westhoek,
zee
Abonneren op:
Posts (Atom)