"Et j'irai loin, bien loin, comme un bohémien, Par la Nature, - heureux comme avec une femme."
Arthur Rimbaud

dinsdag 1 juli 2014

Terug in de Brenne I

The grand show is eternal. It is always sunrise somewhere; the dew is never dried all at once; a shower is forever falling; vapor is ever rising. Eternal sunrise, eternal dawn and gloaming, on sea and continents and islands, each in its turn, as the round earth rolls.

John Muir
De muggen dansen in een avondcabaret terwijl de zon langzaam afdaalt naar de diepte van de horizon. Het is een aangenaam warm en lichtend begin van onze stilaan traditionele reis in de Brenne, dat goed bewaard natuurlijk geheim in midden-Frankrijk. Terwijl Jan op geocaches jaagt, val ik bijna over de talrijke harlekijnorchissen (Anacamptis morio) en andere planten die de paden orneren.
Het contrast met de volgende dag is dan ook erg groot als de hemelsluizen openstaan boven een gulzig drinkend land. Dat werd een late brunch in Franse stijl in mijn auto ...
Dit zwembad van hemelwater houdt ons niet tegen om op pad te gaan in Forêt de Preuilly met de bedoeling om vooral op zoek te gaan naar amfibieën. In dit oude eikenbos dat eeuwenlang onder hakhoutbeheer stond kan men talrijke bejaarde stoven vinden. God weet hoe oud deze zouden zijn ... Telkens worden er loten afgelegd en de stammen geoogst als de gewenste dikte bereikt hebben. Dit kan honderden jaren doorgaan, zelfs als de originele stoof inrot.
Sinds 2011, toen ik de marmersalamander (Triturus marmoratus) op onze eerste Brennestage gemist had, ben ik telkens weer ijverig op zoek naar deze soort. Het natte weer van deze dag belooft veel goeds en jawel ... Daar vang ik ineens een eerste glimp op van de felgroene staart onder een willekeurige omgedraaide boomstronk. Het duurt even vooraleer mijn brein het beseft maar de gelukzalige uitroepen en bijhorende glimlach zouden nimmer meer afspoelen die dag. Het is een geweldige ontlading na drie jaar hopen. En geef toe, het is een prachtige soort om te bewonderen.
Nog steeds nagenietend van de ontdekking van de marmersalamander komen wij bij een bospoeltje waar deze libellenlarve de voorbije warme weken gebruikt heeft om te ontwikkelen en gisteren, onder het valse veiligheidsgevoel van de grillige zon, begon met uitsluipen. Nu onderkoeld door de regen zal het wel eventjes langer duren...
Het impressionisme regeerde in de vale bruine bossen in de vochtige lucht.
Maar evenwicht moet er zijn en tegen de avond droogt het weer dan eindelijk op, genoeg om ons te besluiten tot een fietstochtje in de buurt van Migné, waar we kampeerden.
Het steeds wisselvallige weer zou een thema blijven op onze reis en we zouden onze tweewielers jammer genoeg niet zo vaak kunnen gebruiken als we wilden. Toch kan je hiermee leuke wegen ontdekken, steeds weer, zoals deze rustige departementale waar amper auto's lijken te rijden en de eiken de wacht houden.
Ook uitdagingen zijn makkelijker te ontdekken met de fiets zoals dit hooibalenfiguur dat Jan met plezier beklom onder het mom van fysieke oefening.
Terwijl de knolsteenbreek (Saxifraga granulata) zich laaft in de late zonnestralen ...
... kijkt een eenzame gele lis (Iris pseudacorus) uit op het verstilde oppervlaktewater van een vijver, enkel met enkele rimpels verstoord als een paar beverratten (Myocastor coypus) actief rondzwemmen. Gele lis is trouwens een waterplant dat de waterkwaliteit en helderheid bevordert door zeer veel voedingsstoffen op te nemen -het is een forse plant- waardoor het water armer wordt en algenbloei verhinderd wordt.
Als de nacht ingevallen is, werkt de hoge vochtigheid nog steeds in mijn voordeel als ik eventjes alleen op pad ga rond de camping. In een slootje dat net aangelegd is geweest om een natuurweide te ontwateren, vind ik na lang zoeken op het typische "kèk kèk" van de boomkikkers (Hyla arborea) eindelijk dit paartje dat gemoedelijk in amplexus in het water zwemt. Het is meteen mijn eerste keer dat ik deze soort in het water aantref en niet in 'n plant.
De rustige dorpscamping waar wij zitten, is ideaal gelegen voor toevallige waarnemingen zoals deze grote nachtvlinder, een hageheld (Lasiocampa quercus) die ik ving met een rol toiletpapier in het sanitairblok.
De volgende dag, net als de rest van de week, zou iets stabieler weer brengen en daar profiteren we van door een bezoekje aan La Sous, de drukst bezochte vijver van het natuurreservaat Chérinne. In tegenstelling tot vorig jaar was het nu een stuk minder druk, we waren ook vroeger op het jaar hier en de paartjes werden nu pas gevormd en de nesten gebouwd. Dit koppeltje geoorde futen (Podiceps nigricollis) was naarstig op zoek naar eten en een geschikte nestplaats.
Ook de eerste witwangsternen (Chlidonias hybrida) kwamen stilaan hun oude kolonie terug bezetten.
De kokmeeuwen (Chroicocephalus ridibundus) waren hun al echter voor, luidruchtig bezetten zij de dominante dode boomstam in het midden van de vijver en kakelen en bekvechten er de hele dag er lustig op los.
Toch bleef het bijlange niet alleen bij woorden ...
Andere koppeltjes waren dan weer aan de nestbouw begonnen. Stevige takjes werden uit de biezen geplukt om hun kraamkamer vorm te geven.
Temidden van alle drukte, foerageert een fuut (Podiceps cristatus) rustig op de vissen in het heldere water.
De ochtendwolken trekken weg en onze benen beginnen te kriebelen: tijd voor een wandeling rondom Chérinne waar de graslanden opengehouden worden door deze Limousins. Dit robuuste Franse ras van koeien heeft 'n speciaal plaatsje in mijn generaties oude boerenhart. Kijkt u zelf maar. Ik geraak steeds weer in vervoering door hun aardse kleuren en wonderlijke, vriendelijke en slimme karakter.
Zij zorgen ook voor een grotere diversiteit, hun mest en hun ruige lijven trekken talrijke insecten aan waar dan weer de koereigers (Bubulcus ibis) op afkomen. Deze reigers jagen namelijk voornamelijk op insecten die zij uit het gras opjagen, vandaar dat ze zo vaak in de buurt van vee vertoeven.
Maar de Brenne is ook op andere vlakken speciaal. Het is nog maar zelden voorgekomen dat ik een dergelijke hoge planten- en dierendiversiteit terugvond in gewone wegbermen. Hier is het doodnormaal om massaal waterranonkel (Ranunculus aquatilis) in de sloten langs de weg aan te treffen. Niet alleen dit kleine, witte plantje is hier te vinden, maar ook een soort van zuiver kwelwater zoals waterviolier (Hottonia palustris) voelt zich thuis hier in de bermen. Ongelooflijk.
Onder de doorgedreven tweetonige zang van de koekoek (Cuculus canorus), soms als een silhouet afgetekend in een verre boomtop, stappen we voort. Het behoorde net zo goed tot onze sensoriële input als de voortdurende variatie van de vele nachtegalen (Luscinia megarhynchos).
Toch is de insectenrijkdom, naast de planten, nog het meest indrukwekkende in de Brenne, gaande van de talrijke rupsen en rupsennesten in de hagen langs de weg...
... over kevers die intiem kennismaakten met mijn vingerafdrukken ...
... via waterjuffers zoals dit lantaarntje (Ischnura elegans) ...
... tot de vele dagvlinders zoals deze bruine vuurvlinder (Lycaena tityrus) en kleine vuurvlinder (L. phlaeas), de diversiteit is haast onnoemelijk groot, bijna te groot om te bevatten. Bij ons in Vlaanderen is de bruine vuurvlinder bijvoorbeeld bijna uitgestorven ...
We kregen geregeld rare blikken toegeworpen van voorbijrijdende auto's. Maar onze moeite loont echt wel want de kers op de taart was het zeldzame staartblauwtje (Cupido argiades) waarvan de Latijnse genusnaam wel iets doet weerklinken bij de romantische zielen onder ons. Het tere beestje is er ook naar gebouwd.
In de bermen stonden ook diverse orchideeën zoals de eerder vermelde harlekijnorchis, duidelijk te herkennen aan de groengeaderde bovenste kroonbladen.
En weer is een drukbezette dag voorbij en wordt het tijd om te genieten van een kalme avond waarbij de zon al even kalm haar dagelijkse doortocht aan de einder voltooit.
Doorheen de week zouden we op de camping meerdere leuke ontdekkingen doen, zoals deze rugstreeppad (Bufo calamita).
Of wat dacht u van het prachtige contrast dat dit citroenlieveheersbeestje (Psyllobora vigintiduopunctata) vormt met de paarse palen van het afdak waaronder we ons vaak vertoeven, beschut tegen de regen en wind en vooral om de tent te ontvluchten die helaas kampte met een schimmelinfectie ...
Tenslotte waren ook meerdere achtpotigen op doortocht, zoals deze platte wielwebspin (Nuctenea umbratica), een centraal-Europese soort die vooral gebouwen opzoekt. 's Avonds bouwt ze een groot bolvormig web waar ze 's nachts in zitten en nietsvermoedende insecten verschalken.
Een nachtvlinderval die we van Roel geleend hadden, leidde tot nog meer campingobservaties. Via een UV-lamp worden de nachtvlinders -en soms andere insecten zoals meikevers (Melolontha melolontha)- gelokt en via de plexiglazen verdelingen in de houten bak kunnen ze niet meer ontsnappen, er zijn diverse eierkartons aanwezig waar ze achter kunnen kruipen ter beschutting. 's Morgens zijn ze zodanig afgekoeld dat determinatie perfect mogelijk is.
De kleurdiversiteit is ongelooflijk bij deze soorten. Naast talrijke groene zilveruilen (Calamia tridens) en geelgekleurde hagedoornvlinders (Opisthograptis luteolata) vingen we ook de subtieler getekende soorten zoals deze brandvlerkvlinder (Pheosia tremula).
Het kan nog subtieler, op camouflage af, want doet deze wapendrager (Phalera bucephala) u ook niet denken aan een berkentakje ?
Naast de vele meikevers vingen we af en toe ook deze gigantische kevers van meer dan vijf centimeter. Het zijn spinnende watertorren (Hydrophilus piceus). Niet alleen de grootte maakt het tot een opmerkelijke soort, ook zijn menu als larve is ongewoon: het zijn ware alleseters, tot kleine salamanders en kikkers toe maar eenmaal volwassen is deze kever een brave planteneter die de unieke structuur van zijn achterpoten gebruikt om te snorkelen tijdens het foerageren onder water.
De spectaculairste nachtvlinders tijdens onze week in de Brenne waren de opvallend gevormde pauwoogpijlstaarten (Smerinthus ocellata) die op hun ondervleugels een felle oogtekening herbergen om predatoren af te schrikken. Toch waren er vreemde krachten aan het werk hier in de Brenne want op een dag verscheen er op onze ontbijttafel ook een dood exemplaar van een grote nachtpauwoog (Saturnia pyri) -een van de grootste nachtvlinders die er zijn. We hadden zo onze verdenkingen maar het mysterie zal wel altijd een Brenneverhaal blijven...
Mijn favoriet was toch weer een groengekleurd exemplaar: de kleine groenbandspanner (Colostygia pectinataria) die we in Rosnay dichtbij het huis van Guido en Greta vonden. Jawel, ook zij waren van de partij tijdens onze week Brenne voor een paar gezellige avonden en vele, vele tips... en nachtvlinders !
Het wisselvallige weer met af en toe een zware onweersbui zorgde voor dramatische luchten maar helaas ook voor minder actieve vlinders. Soms ging ik dan ook alleen op pad met de auto naar de vogelvijvers zoals La Sous en Étangs Foucault. Daarvoor had ik zoveel materiaal niet nodig.
In La Sous blijft er tenslotte altijd wel iets te zien, hoe klein ook. Gaande van roodkoppige lelijke meerkoetjongen (Fulica atra) tot een jagende bruine kiekendief (Circus aeruginosus), majesteus zwevend boven het riet of zelfs later een observatie van een voedseloverdacht tussen man en vrouw van deze roofvogelsoort, compleet met de tuimeling ! Ik was zo enthousiast dat ik dit in het Frans communiceerde met het meisje naast mij, dat later dan toch een Vlaamse bleek te zijn. Het is een kleine wereld, zeker in het groen van de Brenne.
Een Purperreiger (Ardea purpurea) is zoals gewoonlijk ook weer van de partij, af en toe laag boven het riet zwevend tot hij bij zijn nestplaats invalt.
Een paar uurtjes later kleuren onweerswolken het decor van Étang Blison met de honderden drijvende bladeren van de gele plomp (Nuphar lutea) die spoedig in bloei zal komen.
Een beverrat, helemaal alleen, laat zich niet afschrikken door het aanzwellende donder.
Ook de kuddes van de stevige Limousins laten hun sappig maaltje er niet voor staan. Enkel dat vreemde individu tussen de bomen verdient een beetje meer aandacht dan gewoonlijk in hun onverstoorbare grazen.
Ook aan de Étang Foucault steekt de donkere lucht af tegen de felbloeiende brem (Cytisus scoparius). Van de twijgen van brem werden in vroegere tijden bezems gemaakt en soms werd de vezel van de plantgebruikt als vervanger van jute voor kleding of zakken.

Terwijl het onweer aanzwelt en ik in een apocalyptische stortbui naar de camping vlucht en hoop dat de oude beschimmelde tent de natuurkracht aankan, reflecteer ik op een interessant half weekje Brenne, het smaakt naar meer in een volgende post !

donderdag 12 juni 2014

Tussen schepen en zand

We think we need so many useless things - When all we really need is time to breathe.

The Fort - Between the Trees
Een ongelooflijk genoegen overspoelt mij als ik eindelijk een flinke teug inneem van de frisse Noordzeelucht dat komt aanwaaien over het brede strand van Nieuwvliet. Na anderhalf uur rijden met Darko op de achterbank is het eindelijk zover. Het is er allemaal weer: het getrippel van zijn pootjes op het ruwe zand, het zeegeruis en de zoute wind die door mijn dunne haren speelt en mij onveranderlijk opzadelt met zandkorrels die pas in de douche verdwijnen... In de verte krijg ik er nog een bonus bij want in de golven duikt ineens een gewone zeehond (Phoca vitulina) op om een lange ademteug te nemen vooraleer weer onder te duiken. Hier heb ik terug tijd om te ademen, samen met de zeehond...
Het helpt ook dat Nieuwvliet nog een behoorlijk natuurlijk strand heeft. Het verraste mij toen ik dit gebied leerde kennen in 2011 en ook nu weer ben ik blij verrast door de vele kluten (Recurvirostra avosetta), grutto's (Limosa limosa), tjiftjaffen (Phylloscopus collybita) en fitissen (P. trochilus) die de polders, getijdengeulen en duinbosjes bevolken. Hier bevindt zich namelijk de "Verdronken Zwarte polder" waar een oude dijkdoorbraak ervoor zorgde dat dit gebied terug onder invloed stond van de zee, compleet met grote plassen, geulen, slibvorming en duinen. Het is een schitterend plezier om deze dynamiek dag in, dag uit te kunnen observeren.
Maar anders dan de vorige keer ben ik hier nu in de vroege lente wanneer de sleedoornhagen (Prunus spinosa) die de duinpaden aflijnen in bloei staan. Onder een steeds aan kracht winnende zon zingt het vogelkoor en beginnen de eerste voorjaarsvlinders rond te fladderen. Ik wandel hier nu rond met Reinhardt en Kaat die vanuit Brugge te fiets gekomen zijn en blijven logeren. Ook zij hebben behoefte aan tijd om te ademen. En waar kan dat beter dan aan de kust ?
En overal waar we keken, krioelde het van deze rupsen van een of andere nachtvlinder. Overal kon men hun gespinde nesten vinden.
Ook deze vreemde paddenstoel hoort bij de vondsten, het is wat morielachtig maar dat lijkt het ook niet te zijn. Het is wel een mooie verschijning in zijn gekartelde simpelheid.
Het leuke aan Zeeland is dat er overal wel iets te ontdekken valt, zoals dit natuurgebied "Cletemspolder" vlakbij Nieuwvliet waar Reinhardt en Kaat de avontuurlijke voorzieningen zoals deze trekschuit zeer aanlokkelijk vinden, zeker op een onverwacht warme aprildag.
We zijn een beetje tevergeefs op zoek naar sternen aan de Westerschelde maar de zachte lentetemperatuur, het gezoem van onze fietsbanden en de landschappen maken ons sowieso al gelukkig genoeg !
De realiteit van de Noordzeekust is dat het wel erg grillige weerswisselingen kan opleveren, dat bewijst ook de volgende dag als Reinhardt, Kaat en ik naar de Zwingeul fietsen. Grijze wolken tinten de Zeeuwse lucht en een stevige bries koelt ons steeds af.
Maar de korte snelle fietstocht warmt ons snel op en dan zijn we aan de Zwingeul waar de zee het land binnendringt bij hoogtij en waar de duinen van oudsher de vloedlijnen raken.
Een andere leuke attractie van de Zwingeul zijn de regelmatige vondsten van fossiele haaientanden en roggentandplaatjes. Die bewuste grijze dag leken we geen succes te hebben tot we in elkaars nek begonnen te springen en jawel, het lijdend voorwerp vond zo plots fossielen ! Na een tijdje hadden we deze gymastische oefeningen niet meer nodig maar de grappige verrassingen die uit die oefeningen voortsproten zal altijd wel in ons geheugen gegrift blijven.
Links de goed bewaard gebleven tandplaat van een rog, rechts de typische driehoekige haaientand uit vervlogen tijden.
De dagen erna verkende ik de kustlijn aan Nieuwvliet met het steeds veranderende licht.
De duinen waren een ideale speelplaats voor een Border Collie zoals Darko ...
De illusie van natuurlijke rust wordt geregeld doorbroken door de aanblik van de gigantische containerschepen die een voor een aanlijnen voor de monding van de Westerschelde, de meesten van hen op weg naar de Antwerpse haven, de tweede grootste containerhaven ter wereld na Rotterdam. Ze torenen steeds boven de duintoppen uit.
Ook de klassieke strandhutjes zijn weer van de partij, van rijen witte cabines tot de enkele customised cabines die met hun creatieve kleuren de eentonigheid breken.
Maar het is hier niet enkel zand en zee. De groene polders tonen waar de mens steeds heeft geprobeerd de zee te overwinnen. Het komt ten goede aan enkele vogelsoorten zoals deze houtduif (Columba palumbus) die op het gemak zijn brunch bijeen zoekt in de tuin van ons huurhuisje.
En dan breekt de avond aan en begeef ik mij weer naar het strand, simpelweg om te genieten van het laatste avondlicht dat de golven streelt...
Of om toe te kijken hoe de schapen in het laatste avondlicht het polderonderhoud uitvoeren...
Of om de snelle hommels te bestuderen die vlijtig de witte dovenetel (Lamium album) bezoeken...
Het is een beetje onwerkelijk hoe de rust invalt in de polders achter de dijk. De steltlopers wachten op het eb voor hun onophoudelijke foerageren terwijl de ganzen en de eenden hun slaapplaatsen opzoeken samen met de zangvogels, de kraaien en de duiven.
Gedurende haar neerwaartse tocht aan de steeds bewegende horizon kleurt de zon de hemel in alle tinten rood en blauw, van rozig oranje tot mauve en violet. Maar de belangrijke economische zeevaartroute ligt nooit stil ...
Op mijn laatste dag besluit ik mijn fiets nog eens uit het schuurtje te halen en een fietstocht te maken tot het meest westelijke punt van Nederland: Westkapelle. Dit dorp is gelegen op het eerste Zeeuwse (schier)eiland vanaf België gezien en ligt ongeveer 40 kilometer van Nieuwvliet vandaan. Niet zoveel, ware het niet dat er een brede riviermonding tussen gelegen is: de Westerschelde. Daarom moet ik in Breskens een veerboot nemen naar Vlissingen en bevind ik mij dus op de grote zeedijk voor Breskens.
Een van de twee veerboten ligt in panne en de dienstregeling is noodzakelijkerwijze aangepast. Ik nuttig mijn brunch dan ook met het zicht op Vlissingen.
Na iets meer dan een uur wachten kan ik met mijn trouwe fiets dan eindelijk inschepen op de "Prinses Maxima". Het is mijn eerste boottocht op een catamaran en ik kijk ernaar uit. Dit type van schepen is dan wel sneller, het is ook minder stabiel dan de klassieke designs met één boeg en dat lijkt merkbaar, zelfs bij het rustige water van de Westerschelde op deze zonnige dag.
Het verkeer bleef doorvaren, dag in, dag uit. Een ware ader van de wereldeconomie.
Het duurt echter niet lang of ik sta weer op vaste grond in Vlissingen. Vlissingen is een stad door en voor de grillige Noordzee en de Schelde gevormd. Een verhaal van visserij, landbouw en talrijke stormen tekent zich duidelijk af in de vele historische gebouwen en standbeelden die de Zeeuwen hier oprichtten. De Oranjemolen uit 1699 is daar een prachtige getuige van, hier op de uitgestrekte rivierdijk. Na een restauratie omstreeks 2000 is deze molen, in het bezit van de gemeente, nog steeds regelmatig in bedrijf.
De grillige zee is hier nooit veraf en dat is ook duidelijk in dit standbeeld dat Frans Naerebout eert. Deze loods redde op 24 juli 1779 het leven van 87 opvarenden van de Woestduin, een schip in dienst van de VOC, de Vereenigde Oostindische Compagnie, dat terug kwam van Batavia en in een storm in stukken sloeg op de zandbanken voor Westkapelle. Er zouden nadien nog meer reddingen volgen in vaak zware stormen en Frans Naerebout, samen met talrijke andere kloeke schippers, krijgen nog steeds erkenning voor hun daden.
Nu is het historische centrum in rust gehuld maar deze stad heeft woelige tijden gekend, niet alleen veroorzaakt door de natuur maar ook door haar strategische ligging aan de riviermonding. Ze heeft Spaanse, Franse en Duitse veroveraars over de vloer gekregen in haar 1400jarige geschiedenis.
Zo werd er hier in de twintigste eeuw nog zwaar gevochten door de geallieerden om het eiland Walchteren te bevrijden van de Duitse bezetter. Verschillende polders en dorpen werden door gerichte dijkdoorbraken onder water gezet. Het woelige oorlogsverleden is nog terug te vinden langs het beboste fietspad in de vorm van de vele antitanklinies van gewapend beton.
Eenmaal in Westkapelle aangekomen wordt het verleden nog tastbaarder in de vorm van een oude tank die bij de landing achterbleef en nu als monumentale herinnering dient.
Het is ook in Westkapelle dat je dit interessante fenomeen aantreft: een kerk omgebouwd tot vuurtoren. Het "Hoge licht" of "Zuiderhoofd" is een overblijfsel van een gotische kerk die in de 18e eeuw afbrandde. In de 19e eeuw besloot men er een baken op te plaatsen zodat het gebouw als vuurtoren dienst kon doen, ook al was het aan de landzijde van de dijk. Dit werd bewust gekozen zodat er minder schade zou zijn bij eventuele overstromingen.
Het "IJzeren torentje" uit gietijzer werd in dezelfde periode ook op de zeedijk aan de waterkant geplaatst. Samen met het "Hoge licht" vormt dit een lichtlijn om de schepen het Oostgat in te leiden richting Westerschelde. Een baken in Vlissingen leidt de scheepvaart dan de uiteindelijke Westerschelde in. Eigenlijk moet ik dit in de verleden tijd schrijven want hoewel de bakens nog werken en bruikbaar zijn bij technische problemen, is hun glorie tanende door de ontwikkelingen in navigatie (GPS), sonar en scheepscommunicatie via computer en radio.
Talrijke woelige eeuwen later rusten de polders nu onder de milde lentezon, de blik gericht op wat de toekomst zou brengen met de klimaatsveranderingen en de ecologische en economische crisissen. Maar de koeien, zelfs de ijzeren exemplaren, grazen rustig verder.
Stilaan wordt het tijd om de wielen terug te wenden naar Vlissingen om de veerboot terug te nemen. De kanonnen en de Oranjemolen staan fier op de dijk in het dalende avondlicht.
Terwijl de zeewind aanwakkert en mijn gezond sportzweet droogblaast, denk ik terug aan wat ik achter mij laat. De voorpost van het "echte" Zeeland met zijn eilandbewoners, brede fietspaden, zijn eeuwige gevecht tegen het water en vooral het interessante vogelleven dat men er kan aantreffen. Zoals steeds weet ik dat ik binnenkort mijzelf weer ergens op die eilanden zal bevinden.
En voor ik het weet bevind ik me weer in de ruime polders van het stukje Zeeuws-Vlaanderen dat zich aan België hecht. De zon daalt en ik heb nog een aantal kilometers te gaan en hoewel mijn benen het beginnen te voelen, voel ik mezelf heel blij in de open ruimte en wind van de Noordzeekust. Ik zou het niet kunnen missen, mijn tijd om te ademen...



PS: blijkbaar is de algemene en wetenschappelijke benaming van soorten zoals "kluut" en "sleedoorn" stilaan algemeen aanvaard met kleine letter in plaats van hoofdletters. Er zijn nog steeds twee stromingen maar het wordt steeds algemener om het met kleine letter te schrijven en dat zal ik voortaan ook proberen te doen. Er zijn alleen enkele lastige gevallen zoals de gewone zeehond (Phoca vitulina) waar men het ook moet lezen als een soortnaam en niet als "oh, het was maar een zeehond". ;)