"Et j'irai loin, bien loin, comme un bohémien, Par la Nature, - heureux comme avec une femme."
Arthur Rimbaud

zaterdag 7 december 2013

Zweden - in Grimsö

Autumn, the year's last, loveliest smile.
William Cullen Bryant
Herfstbladeren verzamelen zich op het gras rond de rode houten gebouwen van het Grimsö Forskningsstation. Na Store Mosse was dit onze uitvalsbasis voor bijna een week. Het is een wildcentrum waar enkele vrienden van ons het vak "Wildlife biology" volgden: Pieter, Rein, Arne, Simon en Siege. Het is gelegen midden in de bossen, eenmaal van de hoofdweg af rijdt men op soms schijnbaar eindeloos uitstrekkende onverharde wegen die de dorpjes met elkaar verbinden.
Ik voelde mij hier al snel thuis tussen onze vrienden en andere natuurliefhebbers. Ook het feit dat elke derde auto op de parking een Volkswagen bus of Passat was deed er veel aan: ik was meteen ingeburgerd met mijn bemodderde en kreupele blauwe Passat. Bovendien waren de gebouwen opgetrokken in dat typische Zweedse donkerrood geverfd hout, een prachtig zicht in de herfstzon.
Dat we hier op biologenterrein waren, zag je overal: van de gordijnen in de gemeenschappelijke keuken ...
... tot de versiering van de muren toe, met schedels, schilderijen van wild en geweien.
De eerste dag was het grijs en bewolkt weer, daarvan profiteerden we om te gaan vissen 's morgens. In het naaldbos, op weg naar een visstekje dat de anderen ons aanraadden, voelde ik mij echt terug in het noorden. Het dikke mos steunde bij iedere stap zachtjes mijn voeten, de takken lagen overal verspreid alsof Moeder Natuur mikado speelde en gigantische mierenheuvels rezen als burchtsteden uit de grond.
Uiteindelijk kwamen we aan een schiereilandje van rotsen van waar we de hengels konden uitgooien. Het is stil rond het meer, slechts een enkele Zeearend (Haliaeetus albicilla) verrast ons met een korte vlucht over onze hoofden.
Helaas was het ook rustig in het water zelf, slechts een enkel voorntje waagt zich aan het wormpje aan mijn haakje. De voorn wordt teruggezet want een volwaardige maaltijd zal het niet vormen, zeker niet voor twee hongerige natuurmensen. Uiteindelijk moeten we onverrichterzake terug keren en onze etensvoorraad aanspreken maar zonder spijt. Zitten op de rotsen, turen naar de dobber, gedachten laten dwalen: we zijn op vakantie. Rust. In de namiddag begint het zwaar te regenen, ik profiteer ervan om in de warme levensruimte een goed boek te lezen.
Gaandeweg op de avond wordt de regen echter sneeuw. Sneeuwballengevechten zijn het gevolg en de volgende morgen verlicht de lage zon een witte wereld.
Het blijft koud, rond het vriespunt, maar waar de zon de kans krijgt, tooit ze de naaldbomen in fonkelende druppels. Roel en ik trekken het bos in, op zoek naar hoenders. Al vrij gauw hebben we ons eerste succes vast met een plots opvliegende Hazelhoen (Tetrastes bonasia) die langs de kant van de weg verscholen zat. Helaas was de vogel te snel gevlogen.
Maar niet getreurd. Pieter had ons op de kaart een andere locatie getoond, een veengebiedje, waar vaak Korhoenen (Lyrurus tetrix) zaten. We moesten ervoor door struikgewas onze weg banen tot uiteindelijk het bevroren veen zich voor ons uitstrekt. Helaas. Geen Korhoenen. Plots zie ik een groep vogels snel fladderen, ze leken gejaagd door de wind. Ik roep mijn ontdekking naar Roel en met de verrekijker zie ik het zeldzame schouwspel van een Raaf (Corvus corax) die een groep van zes mannetjes Korhoen achterna zit... Af en toe glanst het rood op hun kop in de zon maar een eenvoudige herkenning wordt verzorgd door die opvallende witte vleugelstrepen die in het blinkende zwart opflakkeren.
Ineens vliegt er nog een silhouet alleen door de blauwe lucht: een vrouwtje volgt het groepje van mannetjes die al achter de boomtoppen verdwenen zijn. Zij bleef uiteindelijk in een top van een den 'hangen' waar wij haar door de verrekijkers lang konden bewonderen terwijl ze de naalden afschuimde naar voedsel.
Na deze ornithologische waarnemingen leidt onze ochtendwandeling langs hetzelfde meer waar we de dag voordien ons geluk beproefden met de vishengels. De typische buitenverblijfjes tekenen zich pittoresk af in het landschap.
Terug bij het Forskningsstation is het dan weer een schouwtoneel voor de Goudvinken (Pyrrhula pyrrhula) die hier zo algemeen zijn als Huismussen (Passer domesticus) in ons belgenlandje. Dit vrouwtje zocht een rustplaats in de takken van een oude appelboom.
Dit is ook een wildcentrum waar gejaagd wordt. Jagen is in Zweden heel anders dan in België en is voornamelijk in functie van gezonde populaties Eland (Alces alces) en natuurlijke bosverjonging. Natuurlijk zijn er ook kanttekeningen zoals de wolven- en berenjacht: discussies die ginder al net zolang aanslepen als de vossenjacht hier in België. Predatoren afdoden is vooral concurrenten van de mens als jager verwijderen. Maar qua grazers en beheersjacht heb ik er niets op tegen. Hier worden de Elanden die in de buurt geschoten zijn geweest ook geslacht en van een kenteken voorzien. Het slachtafval trekt vele Koolmezen (Parus major) aan die hier de nodige proteïnen opdoen voor de lange winter die er weer aan zit te komen. Vooral de vetlaag van de gevilde huid is zeer gewild.
Qua wilde zoogdieren zagen we Eland in Kloten, onderweg 's avonds langs de weg nog mijn allereerste Das (Meles meles) en opeens overstekende Reeën (Capreolus capreolus) maar dat neemt niet weg dat ook "normale" soorten zoals deze Rode eekhoorn (Sciurus vulgaris) hun magie uitoefenen op een natuurliefhebber. Zeker niet als ze met hun ranke verschijning boomstammen afroetsjen alsof ze deel uitmaken van de boom zelf, men kan niet anders dan blijven kijken.
De sneeuwschuivers waren nog even in rust, spoedig zouden ze weer zwaar ronkend de wegen moeten vrijmaken in de noordelijke lange donkere winters.
Een leuke verrassing in de Zweedse bossen waren Witkopstaartmezen (Aegithalos caudatus caudatus), een andere ondersoort die verschilt van onze Staartmees (A. caudatus europaeus) door de volledig witte kop zonder spoor van een halstekening. Maar net als "onze" Staartmeesjes zijn ze speelse bolletjes met een lange staart die bedrieglijk snel kunnen vliegen. Sneller dan ik lopen kan. Het heeft mij vier dagen en vele pogingen gekost om er een deftigere foto van te kunnen maken! Het doet mij steeds weer denken aan regel één van het vogelkijken: een vogel doet bijna nooit wat de toevallige observeerder wil...
Toch zaten we niet enkel in het bos. Roel, Pieter en ik gingen ook eens een voormiddag naar Kvismaren, zo'n tachtig kilometer zuidelijker. Dit is ook een nat en erg open gebied met veel rietpartijen waar in september vele Kraanvogels (Grus grus) op hun trek bijtanken maar nu was het vooral het terrein van honderden Grote Zaagbekken (Mergus merganser), in onze volksmond ook wel eens "boterbuiken" genoemd door hun gelige witte verenkleed op de borst en buikdelen.
Ook hier regeert de Zeearend als predator. Toch is hij de kwaadste nog niet, hier laat hij zijn hapje zelfs stelen door een Bonte kraai (Corvus cornix), die durfallen van het vogelrijk.
En zo vergleden de dagen, als een stilleven met biologenuitrusing en elandenschedel, ze gleden voorbij en lieten mij een zware verkoudheid en een voldaan gevoel van de ontdekking van een herfstig noorden na. De herfst is werkelijk de laatste glimlach voordat de natuur weer in slaap gewiegd wordt door de vorst en koude.
1300 kilometers zaten mij op te wachten, hier op de Øresundsbron, de lange brug die Denemarken met Zweden verbindt, waren we nog niet half weg. Lang genoeg om te reflecteren op de voorbije reis en in de eerste file, op Deense bodem, de eenzame wegen van Zweden reeds te missen. Eens het noorden binnensluipt in jouw aders, blijft de lokroep bestaan. Tot gauw, zei ik tot mezelf terwijl mijn auto lustig voort hobbelde...

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen